‘De Perzen wisten dat ze verdoemd waren’

Boeken schrijven, een eigen oudheid-website, sinds kort een school met historische cursussen, Jona Lendering is een ongewone geschiedkundige. Andere historici verliezen zich in irrelevant specialisme, vindt hij.

Jona Lendering Foto Bram Budel Jona Lendering is een eigen school gestart voor geschiedenis onderwijs. Voor wetenschap interview. FOTO: BRAM BUDEL Budel, Bram

Historicus Jona Lendering heeft altijd een boek bij zich. „Ook naar de supermarkt, voor in de rij.” Liefhebbers kennen de 42-jarige Lendering al elf jaar als de man achter de Engelstalige website Livius.org, over de oudheid van Anatolië, het Midden-Oosten, Griekenland en het Romeinse rijk. „Vandaag is de 2.700ste pagina de lucht ingegaan.” Het is een kort foto-artikel over de Romeinse villa Dar Buc Ammera in Libië.

Deze week komt het negende boek van Lendering uit: Oorlogsmist (bij Athenaeum-Polak & Van Gennep). Het is een overzicht van belangrijke veldslagen en de vraag hoe accuraat de verslagen ervan (kunnen) zijn.

Lendering: „Het begint met de Assyriërs, die het oorlogsbedrijf hebben uitgevonden. Niet de Grieken: hun vroege manier van oorlogvoeren is meer een ritueel.”

Maar de geleerde ondernemer doet meer. Twee maanden geleden is hij met bevriende historici, archeologen en classici onder de naam Livius Onderwijs in Amsterdam officieel begonnen met cursussen over oude geschiedenis. „We hebben al 180 cursisten ingeschreven. Komend semester geven we ook cursussen over de Middeleeuwen.” Een ander initiatief: het nieuwe kwartaaltijdschrift Momentum, een „kritisch, actueel, wetenschappelijk, toegankelijk tijdschrift over de gehele oudheid, van het vroege eerste millennium vóór tot 650 na Christus, van Germania Inferior via Neapolis en Sparta tot het huidige Afghanistan, van aardewerken potjes via obscure poëzie en bloederige veldslagen tot alledaagse rituelen”.

Wat hij wil? „De luis in de pels van de universiteit zijn.” Lendering is na studies geschiedenis en oudheidkunde nooit gepromoveerd en publiceert afgezien van een enkele boekrecensie niet in wetenschappelijke tijdschriften. „Het is me geen vier jaar waard om met een detail bezig te zijn. De Nederlandse universitaire historici en de oudhistorici in het bijzonder zijn in hun prijzenswaardige drang naar professionaliteit te specialistisch geworden. Wat ze doen dient geen maatschappelijk doel meer. Tegelijk worden de fraaiste woorden aan relevantie gewijd.”

In de praktijk worden die woorden nauwelijks waargemaakt, zegt Lendering. „Dan gaat het over onderwerpen als geïmporteerd Thracisch aardewerk in zesde-eeuws Sparta. Je kan ook, zoals wij in de cursus ‘joden, christenen en Romeinen’ doen, vertellen over hoe het christendom en jodendom uiteen zijn gevallen, een onderwerp dat wél aansluit op de 21e eeuw.”

Lendering laat zich er op voorstaan dat hij en zijn cursusleiders een brede kijk op een onderwerp bieden. „We kijken vanuit verschillende disciplines en we leggen interregionale verbanden. Kleitabletdeskundige Bert van der Spek van de Vrije Universiteit heeft me ooit laten zien hoe belangrijk kennis van het Nabije Oosten voor begrip van de oudheid is. Maar aan de universiteiten – de Erasmus Universiteit uitgezonderd – is nauwelijks sprake van interdisciplinariteit. Archeologen en oudhistorici/classici roepen al jaren dat samenwerking belangrijk is, maar hebben intussen gescheiden onderzoeksscholen opgericht.”

Populariseren en brede thema’s behandelen betekenen niet dat je nooit met iets nieuws kunt komen, vindt Lendering. „Voor mijn boek over Alexander de Grote heb ik met Bert van der Spek Babylonische kleitabletten bekeken in het British Museum en de voorspelling gevonden van het begin van Alexanders heerschappij en zijn dood. Dat verklaart waarom de Perzen in de slag bij Gaugamela in 331 zo slecht hebben gevochten – ze wisten dat ze gedoemd waren te verliezen.” In een recensie van Lenderings Alexander-boek in de vooraanstaande Bryn Mawr Classical Review vorig jaar stond overigens dat het gebruik van Babylonische en Perzische bronnen niet echt nieuw licht op Alexander heeft geworpen, maar dat Lenderings boek wél een aansporing is voor historici om zich meer met de groeiende hoeveelheid oosterse bronnen bezig te houden.

Tot slot wil Lendering terugkomen op de maatschappelijke relevantie van oude geschiedenis. „Het verleden geeft geen antwoorden op vragen uit het heden. Maar het is verhelderend om te weten dat zaken die nu spelen erfenissen uit het verleden kunnen zijn. De taalstrijd in België is terug te voeren op de Romeinen die in de vierde eeuw Franken in hun rijk toelieten. En de tegenstelling tussen Europa en Azië is begonnen tijdens de Perzische Oorlogen, toen de Grieken er een strijd van vrije mensen tegen verwijfde onderdrukkers en hun slaven van hebben gemaakt.”