Correcties op een zelfbeeld

In 1952 moest er ook een kabinet geformeerd worden. Kandidaat van de katholieken voor Buitenlandse Zaken was de toen onbekende Joseph Luns. In het kennismakingsgesprek vroeg formateur Drees hem waardoor hij zich in zijn beleid zou laten leiden. Luns’ antwoord luidde: „In de eerste plaats door het Nederlandse belang, in de tweede plaats door het Nederlandse belang. Dan komt er een hele tijd niets, en dan weer het Nederlandse belang.”

Het verhaal gaat dat dit antwoord bij Drees niet in slechte aarde viel. De twee – de een ’n oude sociaal-democraat, de ander een conservatieve rooms-katholiek – zouden dan ook de volgende zes jaar goed met elkaar kunnen opschieten. Dat deze anekdote niet uit de een of andere Haagse duim is gezogen, blijkt wel hieruit dat Luns vele jaren later hetzelfde ‘beginsel’ woordelijk in de Tweede Kamer herhaalde.

Het woord beginsel heb ik hier tussen aanhalingstekens gezet, omdat bij dit begrip meestal gedacht wordt aan verheven doeleinden, zoals vrede, internationale rechtsorde, mensenrechten. Daarmee zou dan zoiets plats als het ‘Nederlandse belang’ in strijd zijn. Maar is dat zo? Zijn die verheven doeleinden dan niet in het Nederlandse belang?

Wat Luns zo cru onder woorden bracht, heeft zijn verre opvolger Bot onlangs in een conceptueel kader proberen te plaatsen. Hij deed dit in een artikel in de Internationale Spectator van november, waarin hij kwam tot een rehabilitatie van het Nederlandse belang. (Op 16 november schonk ik al enige aandacht aan dit artikel, waarschijnlijk een zwanenzang.)

Wanneer hij stelt dat vroeger „Nederlandse belangen automatisch samenvielen met die van de organisaties waarvan wij lid waren” (NAVO, EU, VN), dan betekent dit niet dat vroeger de Nederlandse belangen niet op de eerste plaats kwamen, maar dat zij als identiek werden beschouwd aan de belangen van die organisaties. „Wij hebben geen buitenlandse politiek, wij hebben alleen de NAVO”, zei in de jaren ’60 een hoge ambtenaar van Buitenlandse Zaken eens tot een Amerikaanse bezoeker.

Die identificatie van het eigenbelang met een hoger beginsel, die het eigenbelang als ’t ware sublimeert, is een oude Nederlandse gewoonte. Thorbecke schreef al in 1830: „De Nederlandse staatkunde, zelf vrij van heerszucht, is de billijkste oordelaarster over de heerszucht van anderen.” De bekende rechtsgeleerde Van Vollenhoven was in 1913 overtuigd van Nederlands „onverdachte belangeloosheid”, die ons de meerdere maakt van anderen. En minister-president De Geer vergeleek in 1939 (toen Engeland en Frankrijk al in oorlog waren met Hitler) Nederland met een „lichttoren in een duistere wereld”.

Te denken dat deze (en andere) autoriteiten niet meenden wat zij zeiden en zij het Nederlands belang niet hoog in het vaandel hadden, zou een misvatting zijn. Voor hen wás vrede of internationale rechtsorde een Nederlands belang, zoals voor hun nazaten de NAVO of de EU een Nederlands belang belichaamde (overigens liepen de belangen van die twee organisaties niet altijd parallel, maar daar sloten zij hun ogen voor).

Zo is geleidelijk een Nederlands zelfbeeld ontstaan van een natie die het nationaal belang niet vooropstelt en daaraan het recht ontleent anderen de les te lezen of als ‘gidsland’ de weg te wijzen. Dit zelfbeeld ergert niet alleen anderen – die trouwens niet geloven dat Nederland zijn belang niet vooropstelt, het dus schijnheilig vinden – maar is ook in strijd met de werkelijkheid: ook zodoende behartigt Nederland een nationaal belang. Ja, in feite behartigt een buitenlandse politiek – welke dan ook – altijd het nationaal belang, zolang zij berust op een actieve of zelfs zwijgende consensus.

Dit maakt dat nationaal belang eigenlijk een, althans wetenschappelijk, onhanteerbaar begrip is. Het staat niet objectief vast, maar is een opvatting, een overtuiging van iemand, een groep of een natie. Ook het opgaan van de Nederlandse staat in een Europese federatie kan als Nederlands belang geconstrueerd worden, mits de natie daarin blijft bestaan. Zo is het voortbestaan van de natie waarschijnlijk het enige belang waar iedereen het over eens kan zijn.

Wanneer Bot zegt dat Nederland „eigenlijk geen andere keus” heeft „dan het benadrukken van de nationale soevereiniteit en met het mobiliseren van de eigen machtsmiddelen”, dan kan eigenlijk alleen het benadrukken van de nationale soevereiniteit als iets nieuws – zelfs spreekt hij van een „eventuele koerscorrectie” – worden beschouwd, want die soevereiniteit werd, ook indien als concept verworpen, in de praktijk niet verwaarloosd.

Wat dat betreft, moet Bots artikel verwelkomd worden als een correctie, niet op een beleid, maar op een dierbaar zelfbeeld, de schijngestalte die het beleid om binnenlandse redenen vaak gedwongen is aan te nemen. Die correctie zal hem niet door iedereen in dank worden afgenomen, maar dat zal hem, én als niet-politicus én als bewindsman in zijn nadagen, waarschijnlijk weinig deren.

Te hopen valt dat hij straks gebruik zal maken van zijn volledige vrijheid om te blijven reflecteren over de grenzen en mogelijkheden van de Nederlandse buitenlandse politiek. Van mensen die met het bijltje gehakt hebben, zijn zulke reflecties zeldzaam.