Boven de weg nadert boos weer

Tentoonstelling: Willem Roelofs 1822-1897 - De adem der natuur. T/m 25 februari 2007 in Museum Jan Cunen, Oss. Catalogus verschenen bij Uitgeverij THOTH, 208 blz. € 29,90.

Vorig jaar was het schilderij Landschap bij naderend onweer van Willem Roelofs te zien op de grote Romantiek-tentoonstelling in de Rotterdamse Kunsthal, maar een paar jaar eerder hing zijn Polderlandschap met molen bij Abcoude in diezelfde Kunsthal op een Haagse School-overzicht. Roelofs was halverwege de negentiende eeuw dan ook een schilder in de overgang van Romantiek naar impressionisme. Of zoals de criticus Jan Veth later schreef: „Met hem kwam beweging en frissche lucht de al te droge atelier-sfeer binnenzetten.” Dat zie je op de voorbeeldige tentoonstelling Willem Roelofs 1822-1897 – De adem der natuur in het Museum Jan Cunen in Oss.

Landschap bij naderend onweer (1850) hangt ook hier. Boven de hei pakken donkere wolken zich samen. Een ruiter te paard en een wit hondje haasten zich om weg te komen. De zon schijnt nog op de voorgrond, maar in de verte is het licht al verdwenen. Het is een knap geënsceneerd schilderij, dat haar dramatische effect vooral dankt aan dat contrast tussen de donkere lucht en het felle zonlicht. Maar precies door dat effectbejag staat het nog helemaal in de Romantische traditie van Koekkoek en Schelfhout. De onweerswolken hangen er zacht en pittoresk bij en het felle zonlicht vooraan is duidelijk voor de gelegenheid verzonnen. Met de rest van het landschap heeft het niets te maken, maar de regisseur had het nodig.

Vier jaar later, in het schilderij Luxemburg, is er iets veranderd. Roelofs heeft de school van Barbizon leren kennen en schildert een levensecht landschap in samenhangend licht. Warm, heiig tegenlicht op een glooiende wei met bemoste rotsen. Zo zonnig wordt het daarna in Roelofs’ werk nog maar zelden, want zoals zijn biograaf H.F.W. Jeltes al in 1911 schreef: „De natuur was hem het liefst bij boos weer.” Maar naderend onweer is bij Roelofs voortaan gezíen, niet bedacht. De baan fel zonlicht in het schilderij De regenboog (1875) wordt door dezelfde regenwolken veroorzaakt als de brede schaduwbaan op de voorgrond. Dit is logisch, dit is echt, dit is die frisse lucht waarover Veth het had. Je voelt de wind op je gezicht. In sommige schilderijen is het – wel je laarzen aantrekken – zeker een uur lopen naar de horizon. „Als men voor een schilderij staat”, vond Roelofs, „moet men er dadelijk in zijn; men moet zich buiten voelen, de atmosfeer inademen.”

Het is haast onvermijdelijk dat de buitenlucht meer in zijn buiten gemaakte olieverfschetsen hangt dan in de grotere atelierstukken die hij ’s winters op die studies baseerde. Roelofs was zich van het gevaar bewust: „Men is maar al te zeer geneigd, er iets anders, zoogenaamd iets beters, van te maken.” Toch heeft hij in de grote versies wel eens vissers of koeien toegevoegd waar de rest van het landschap maar niet aan kan wennen. Maar ‘de adem der natuur’ hangt wel in zijn beste atelierstukken, zoals het Landschap in de omstreken van ’s-Gravenhage (1875) uit het Rijksmuseum. Het zal voorjaar zijn of nazomer, de lucht is bewolkt en de lage zon speelt door de bomen en het gras. Er liggen schaduwen op de zandweg naar Stompwijk en in die schaduwen ligt een spiegelende plas water. Roelofs heeft het schilderij met succes gestoffeerd: op het pad loopt een moeder met een kind aan de hand. De figuren zijn onnadrukkelijk geschilderd, ze vallen niet uit de toon. Ze voelen zich in dit landschap net zo op hun gemak als wij.