Slachtoffers krijgen stem in het Strafhof

Het Internationale Strafhof erkent slachtoffers als een aparte partij. Dat heeft gevolgen voor de manier waarop de aanklagers te werk moeten gaan, vinden mensenrechtengroepen.

„Ik ben nu bijna vijftien jaar. In 2002 was ik tienenhalf. Wat deed u toen u zo oud was? Ik maakte deel uit van de UPC. Volwassenen namen ons mee naar de oorlog. Ik droeg wapens in opdracht van volwassenen, die heel goed wisten wat ze deden. Papa Thomas was een van hen.”

Dit zou het Congolese meisje dat advocate Carine Bapita vertegenwoordigt gezegd hebben als ze zelf een verklaring zou hebben afgelegd voor het Internationale Strafhof in Den Haag. Bapita is een van de advocaten die de afgelopen drie weken een novum vertegenwoordigden in het internationale strafrecht: slachtoffers mochten als een aparte partij deelnemen aan de zitting waarin de rechters besluiten of Thomas Lubanga vervolgd wordt voor het ronselen en inzetten van kindsoldaten. Rechtbankvoorzitter Claude Jorda vond de verklaringen van de slachtoffers op de slotdag gisteren „misschien wel het belangrijkste wat hier gezegd moet worden.”

Thomas Lubanga, de eerste verdachte van het Strafhof, was volgens de aanklagers de oprichter en onbetwiste leider van de Union des Patriotes Congolais (UPC), een van de vele gewapende groepen die in 2002 en 2003 in de Noordoost-Congolese provincie Ituri vele tienduizenden slachtoffers maakten. Hema, Lendu en andere etnische groepen bestreden elkaar, daarin bijgestaan door de Oegandese en Rwandese legers. De aanklagers moesten aantonen dat er ‘substantiële gronden’ zijn om te geloven dat Lubanga voor deze strijd kinderen jonger dan vijftien rekruteerde en inzette.

Als de rechters na hun overweging van twee maanden besluiten tot een proces, en als Lubanga veroordeeld wordt, dan kunnen de slachtoffers om een schadevergoeding vragen. Als dan blijkt dat Lubanga, zoals zijn advocaat Jean Flamme zegt, „geen franc bezit”, kunnen de slachtoffers een beroep doen op het slachtofferfonds van het hof, dat inmiddels 1,9 miljoen euro aan donaties in kas heeft.

Tot op heden zijn er 105 aanvragen geweest voor de ‘slachtofferstatus’. Dat het er niet veel meer zijn, komt volgens mensenrechtenorganisaties doordat het bestaan van het Strafhof en de aanklacht tegen Lubanga nog niet in heel Ituri bekend zijn. Ook achten lang niet alle Congolezen het inzetten van kinderen als soldaten een strafbaar feit. Sommige families gaven (onder druk) gehoor aan Lubanga’s oproep een koe of kind te schenken voor de zelfverdediging van Ituri.

Van de 105 aanvragers hebben er vier de slachtofferstatus gekregen, tientallen zijn afgewezen omdat hun problemen volgens de rechters geen verband houden met de aanklachten. Mensenrechtenorganisaties hebben veel kritiek op de beperktheid van de aanklacht. Volgens hen heeft het UPC, en dus zijn baas Lubanga, zich ook schuldig gemaakt aan onder andere moord, marteling en seksueel geweld. „Voor slachtoffers van die misdrijven is het niet uit te leggen waarom zij niet in aanmerking komen voor compensaties”, zegt Mariana Goetz van Redress, een Britse organisatie die zich inzet voor slachtofferrechten.

De aanklagers hadden het conflict in Oost-Congo op een geïntegreerde manier moeten aanpakken, vinden Redress en andere organisaties. De aanklacht tegen Lubanga had uitgebreider gemoeten, en ook de kopstukken van andere gewapende groepen hadden ter verantwoording moeten worden geroepen. Hoofdaanklager Luis Moreno-Ocampo benadrukt dat er meer aanklachten komen voor Congo, maar Goetz vindt dat die er al hadden moeten zijn. „Wat gebeurt er als er binnenkort een lijst aanklachten komt tegen het FNI [een rebellenbeweging in Ituri van vooral Lendu, red.], waarin die andere misdaden wel zijn opgenomen? De slachtoffers van Lubanga zullen dat als onrechtvaardig beschouwen.”

Het Strafhof is er niet alleen voor het brengen van gerechtigheid, maar ook voor het bevorderen van vrede, heeft Ocampo steeds gezegd. Daarom behandelt hij bij voorkeur conflicten waarin het Strafhof nog een verschil kan maken, zie de aanklachten voor de rebellenbeweging LRA in Oeganda en het onderzoek naar Darfur. „Met de huidige aanpak zal de teleurstelling onder slachtoffers toenemen”, zegt Goetz. Volgens haar bestaat zelfs de kans dat het Strafhof de kloof tussen rivaliserende groepen zal vergroten.

Over veel aanvragen van slachtoffers bestaat nog onzekerheid. Hun advocaten hebben alle informatie die tot hun identificatie kan leiden zwart gemaakt in de formulieren voor de verdediging. Die vindt ze onleesbaar geworden. Het is nodig omdat de slachtoffers bedreigingen ontvangen, zeggen de advocaten.

Die bedreigingen kunnen onmogelijk van Lubanga komen, want die heeft geen slachtoffers gemaakt, aldus diens advocaat Flamme. Hij bepleitte vrijlating, omdat volgens hem niet is aangetoond dat Lubanga iets anders was dan een politicus. „Ik beschuldig u van het uitvoeren van een politieke zaak”, zei hij in zijn slotverklaring tegen de aanklagers. „U zult de geschiedenis ingaan voor het geven van een Nelson Mandela aan Congo. Dat is al gebeurd.”