Rotterdam wil nationaal hockeystadion bouwen

Rotterdam, 29 nov. - Rotterdam wil dé hockeyhoofdstad van Nederland worden. In een uitdagende toespraak stelde burgemeester Ivo Opstelten het bestuur van de Nederlandse hockeybond (KNHB) gisteravond voor om het beoogde nationale hockeystadion in de Maasstad te laten verrijzen. „Wees welkom, wij willen investeren”, sprak Opstelten, vier weken nadat het gemeentebestuur de ‘blanco uitnodiging’ al op papier had gezet in een brief aan de KNHB.

Met 7.000 zitplaatsen voldoet het grotendeels uit hout opgetrokken Wagener-stadion – in 1939 gebouwd door hockeyclub Amsterdam maar sinds 1980 eigendom van de bond – niet meer aan de (logistieke) eisen. Sinds acht jaar maakt de KNHB een forse groei door. Telt de bond momenteel bijna 190.000 leden, in 2015 bedraagt dat aantal naar verwachting 260.000. Die aanwas vergt, behalve zestig nieuwe clubs en 244 nieuwe velden, óók een nieuw stadion.

Onder leiding van oud-voorzitter André Bolhuis is de bond momenteel bezig met een onderzoek naar de mogelijkheden. Aangenaam verrast bekende Bolhuis gisteravond te zijn door het aanbod van de gemeente en de hockeyclub Rotterdam (HCR). „Zeker omdat het uit de mond komt van een burgemeester, die ik ken als iemand die zijn woorden al jaren consequent waarmaakt.”

Maar Bolhuis houdt het aanbod voorlopig in beraad. „Wij hebben meerdere opties, en kijken verder dan alleen Rotterdam. Wij denken aan vier à vijf stadions in het land, om ook elders de toenemende belangstelling voor de hoofdklasse het hoofd te bieden.” Behalve Rotterdam hebben ook Eindhoven en Amsterdam bouwplannen. Het vierde ‘steunpunt’ zou Utrecht kunnen zijn, aldus Bolhuis.

Een nationaal hockeystadion in Rotterdam, met jaarlijks één of meerdere evenementen, is de hartenwens van oud-clubvoorzitter Jan Hagendijk, wiens afscheid gisteravond werd aangegrepen om de Rotterdamse kandidatuur kracht bij te zetten. Onder leiding van de 58-jarige ondernemer groeide HCR in veertien jaar uit tot de grootste hockeyclub van Nederland, die momenteel 2.300 leden en zeven kunstgrasvelden telt.

Het huidige complex in Rotterdam-Noord (capaciteit 3.200 zitplaatsen) is volgens Hagendijk via „een relatief simpele ingreep” uit te breiden tot een multi-functioneel stadion. „De korte zijden dichtbouwen, onder meer met ontvangstruimtes, en je bent in feite klaar.” Voor „maximaal tien miljoen euro” denkt Hagendijk zijn doel te kunnen verwezenlijken. Bijval kreeg hij gisteren van zijn opvolger, de invloedrijke rasbestuurder Hans Blankert (ex-VNO/NCW en -NOC*NSF).

„Wij staan garant, dus dit is an offer you can’t refuse”, zei Opstelten, die Hagendijk gisteravond eerde met een van Rotterdams hoogste onderscheidingen, de Wolfert van Borselenpenning. In januari volgt nader overleg tussen bond, club en gemeente, hoewel Opstelten gisteravond al een voorschot op die besprekingen nam. Tot genoegen van bondsdirecteur Johan Wakkie. „Clubs willen niet alleen, gemeenten nu ook, dat is onze winst.”

Het idee van een volwaardig hockeystadion is niet nieuw. Vijf jaar geleden al, in de nasleep van het in allerijl maar succesvol georganiseerde toernooi om de Champions Trophy – Rotterdam verving destijds het ‘te gevaarlijke’ Lahore – opperde de club de mogelijkheid om het eigen complex in de deelgemeente Schiebroek-Hillegersberg uit te breiden tot een internationaal hockeycentrum. Inspiratie deed HCR onder meer op bij toenmalige voorzitter van de internationale wielrenunie, Hein Verbruggen, die in de buurt van Lausanne een soortgelijk centrum opzette.

De internationale hockeyfederatie juicht de Rotterdamse plannen toe. „Maar om in aanmerking te komen voor topevenementen moeten club en bond wel op één lijn zitten”, waarschuwde voorzitter Els van Breda-Vriesman.

Dat beseft Hagendijk, die niet verrast was door het feit dat de bond gisteren niet meteen toehapte. „Maar om nu te schermen met vier à vijf locaties, is lariekoek. Het ijzer smeden als het vuur heet is, heb ik altijd geleerd.”