Onderweg

Met een diepe zucht zakte Rita achterover op de achterbank van de auto die haar naar huis zou brengen. „Rijden maar”, zei ze, terwijl ze de veiligheidsman naast haar wat verder opzij duwde.

„Dropje?” vroeg een man met een zachte stem. Hij zat naast de chauffeur en draaide zich met een doosje in zijn rechterhand naar de achterbank om.

„Hou die rommel maar”, zei Rita tegen haar echtgenoot.

Ze reden met zo gezwind mogelijke spoed Den Haag uit. De eerste tien minuten zei niemand iets. Het was een ongeschreven wet dat Rita in zulke situaties bepaalde óf en door wie er gesproken werd.

Het gaf haar man de gelegenheid bij zichzelf na te gaan waar het precies was misgelopen. Wat kon hij zichzelf verwijten? Hoe had hij kunnen voorkomen dat Rita, nota bene de meest geliefde politica van Nederland, zijn Rita, gemangeld werd door een stelletje nitwits die samen nog niet genoeg aanhang hadden om een postduivenclubje op te richten?

Hadden ze dan toch hun hand overspeeld? Waren ze te ongeduldig geweest? Misschien. Hij zou nooit vergeten hoe Rita thuis na die verkiezingsavond verbitterd had uitgeroepen: „Negen zetels voor Geert! Die hadden allemaal voor mij kunnen zijn. Plus de rest.”

Ontroostbaar was ze geweest.

Hij had gemerkt dat Rita de laatste tijd de ingelijste foto van Pim op haar nachtkastje steeds vaker oppakte en afstofte. Pim was altijd haar lichtend voorbeeld geweest. Daarom had ze zich destijds in de RAI helemaal in zijn stijl aan het Nederlandse volk voorgesteld. Zijn dood had een vacuüm in de Nederlandse politiek geschapen dat alleen zij goed kon vullen. Liefst met de partij, maar als het moest zonder. Rita was de nieuwe Pim. En niet Geert, Marco en hoe ze allemaal mochten heten.

„Geef me toch maar een dropje”, klonk plotseling die lage, desondanks zelden zwoele, stem vanaf de achterbank.

Hij deed wat van hem verlangd werd.

„Veertig bobo’s”, zei Rita terwijl ze het dropje inslikte zonder ervan te proeven, „en één voor één zal ik ze opruimen. Neem dat van mij aan. Wie niet vóór de koers-Rita is, die is tégen de koers-Rita. Zo simpel is dat. Duidelijkheid. Loyaliteit. Afspraak is afspraak. Dat is wat de mensen in het land willen. En dat is wat ze van mij zullen krijgen...”

„Met wie begin je?” vroeg haar man op een toon alsof hij nog vanavond een aanvang wilde maken met het in gereedheid brengen van het schavot. „Mark?”

Ze lachte kort en hard. „Ik sta achter hem! Om hem op te vangen als hij omvalt. Ach, het zou je zoon kunnen zijn, een aardige jongen op wie je niet goed boos kunt worden, je bent al blij als hij een leuk meisje krijgt.”

„En Hans en Frits?”

„Die kan ik nog nodig hebben.” Voor het eerst was er een mengeling van voorzichtigheid en respect in haar stem te beluisteren. „Zij willen net als ik maar één ding: een partij met macht. En als dat met Rita eerder lukt dan met Mark, dan kiezen ze voor Rita. Zo simpel is dat. Duidelijkheid. Loyaliteit. Afspraak is...”

Ze keek naar het raampje naast haar. Als ze de volgende keer wéér met zoveel bombarie uit Den Haag zou vertrekken, dan zou dat raampje omlaag gaan. Ze zou haar hand naar buiten steken, lichtjes zwaaien en de gouden woorden roepen van Hem die nu in de hemel was.