Niet vlot genoeg

De laatste maanden stond ik nogal vaak voor te lezen op een podium. Naast soloverschijningen in Nederlandse en Vlaamse bibliotheken en boekhandels heb ik er ondertussen zestien opvoeringen van ‘de Internationale’ opzitten, een literaire voorstelling aan de zijde van Tom Naegels. Over het algemeen liep dat lekker. Het heeft ook wel iets om geregisseerd te worden en georkestreerde spots ondersteunen nu eenmaal beter dan een eenzame tl-lamp.

Lang heb ik gevonden dat men een boek maar gewoon moet lezen in plaats van naar fragmenten te gaan luisteren. Bij mijn eerste optredens had ik dan ook de gewoonte mijn tekst zo snel mogelijk in de hoorn te hoesten om vervolgens de coulissen in te rennen. Hoewel ik nog steeds de voorkeur geef aan de intiemere leeservaring, heb ik mijn podiumgedrag aangepast. Het publiek verdient een goede performer en aangezien ik van mening ben een goed publiek te verdienen, doe ik al een tijdje mijn best en schep ik zelfs oprecht enthousiasme in het voorlezen.

Niet iedereen is die mening toegedaan. Na een optreden in Hasselt werd ik benaderd door een psychiatrische patiënt en professioneel partypooper die zijn gezicht op vijf centimeter van het mijne bracht en mij toeblafte dat ik niet vlot genoeg ben. Zijn arme vrouw zag eruit alsof ze zich al jaren plaatsvervangend schaamde. Tja. Als ik iets grootmoediger was, zou ik beweren dat iemand als hij er ook moet zijn, maar dat vind ik in feite niet. De meeste reacties waren overigens positief.

Wel is het gek dat het ene publiek zo van het andere verschilt. Uit de ene zaal klinkt voortdurend goedkeurend gebrom en bulderend gelach, uit de andere enkel wat onderdrukt gegniffel. De opvattingen over hoe men zich als toeschouwer dient te gedragen, lijken zelfs in dit minuscule halve land zowaar regionaal bepaald.

De teksten die ik tijdens de Internationale breng, ken ik ondertussen grotendeels uit het hoofd, wat mij de mogelijkheid biedt om tijdens het optreden naar het publiek te kijken. Meestal raak ik gefixeerd op een persoon. De grappigste was een dun oud heertje dat mij vanaf de eerste rij de volle tachtig minuten met een schalkse uitdrukking aankeek. De loerende ogen tot halve maantjes geknepen, een fijn glimlachje om de lippen. „Jij kapoentje jij!” scheen hij onophoudelijk te denken.

Twee optredens later slaagde ik er niet in mijn blik van een corpulente vrouw af te wenden. Zij zat ver onderuitgezakt in haar stoel, armen slap naast het lichaam, het gezicht vertrokken tot plooien en fronsen die totaal onbegrip uitschreeuwden. Achteraf zocht ze me op om mee te delen dat ze er ontzettend van had genoten.

De meest bevreemde publiekservaring hield ik over aan een Mechels echtpaar. Eerst zag ik haar. Ik scheen moordlustige gevoelens bij deze vrouw teweeg te brengen. Als ze traag met haar duimnagel over haar hals had gestreken, had mij dat allerminst verbaasd.

Toen viel haar man mij op. Hij gierde het uit bij elk grappig stuk dat ik bracht en verstomde van ontroering bij andere. Ik begreep dat de twee bij elkaar hoorden, toen hij zich steeds vaker naar de vrouw omdraaide en haar er met armbewegingen en kneepjes in de schouder van trachtte te overtuigen dat dit toch echt wel een fan-tas-tisch optreden was. Hij slaagde niet in zijn opzet. Waarschijnlijk vond zij dat men een boek maar gewoon moet lezen.