Fest, Grass en het intellectuele debat

Het is een ongemeen spannend duel dat twee grote oude mannen in Duitsland dit najaar hebben opgevoerd. Een duel waarvan ze geen van beiden op de hoogte waren en dat slechts is te volgen door hun boeken te lezen. Handzame televisiediscussies (in Duitsland zijn die niet afgeschaft) gaan niet meer tussen de twee, want de ene is dood en de andere te druk met zichzelf.

Het duel tussen Joachim Fest en Günter Grass gaat over alles: over herkomst, over standsverschil, over Hitler, over Bildung, over burgerij. Ze schreven allebei hun oorlogsmemoires en die kwamen allebei tegelijk uit. Joachim Fest overleed onverwachts net vóór publicatie, Grass kreeg een lawine over zich heen vanwege zijn vrijwillig toetreden tot de SS, of liever: vanwege zijn naoorlogse zwijgen daarover. Als relletje is het alweer ‘uit de media’.

De uiterlijke gelijkenissen zijn te mooi om waar te zijn – allebei katholiek opgevoed, te jong voorzien van een geweer, allebei de vreselijkste dingen aan het front meegemaakt, allebei een kameraad naast zich zien sneuvelen, allebei honger, krijgsgevangenschap en vol melancholie over het weerzien met hun geknakte ouders. En allebei zodra het daarna kon, op reis naar Italië, naar de wereld van de kunst.

Maar dan die werelden van verschil: Joachim Fest schreef een prachtig boek – Ich nicht – maar het is onmiskenbaar Günter Grass die de virtuoze schrijver is – Beim Häuten der Zwiebel.

Günter Grass is het kind van middenstanders uit Danzig, al jong een handige scharrelaar met een scherp waarnemingsvermogen, dankzij de spaarplaatjes in de sigarettenpakjes vroeg vertrouwd met een hele reeks klassieke schilderijen. En verder in een omgeving die zich met meer of minder enthousiasme aanpaste aan de nieuwe tijd van het nationaal-socialisme. Grass schrijft zinnelijk over honger en seks en suggereert ergens dat erotiek hem naar de SS dreef: „In uniform trokken wij aandacht, geweldig puberend versterkten wij het thuisfront.”

En dan Joachim Fest, opgroeiend even buiten Berlijn. Hij hoorde tot het Bildungsbürgertum – goed opgeleide dames en heren van stand, voor wie kennis er was om te beschaven, niet voor het nut. Zijn ouders – voorop zijn vader – waren te katholiek, te beschaafd, om zich met de plebejers van het nationaal-socialisme te kunnen identificeren. Zijn vader – directeur van een school en taalkundige – weigerde aanpassing, en zat vervolgens dertien jaar werkloos thuis en voedde standvastig op in een antiHitler-houding. Het gesprek thuis gaat over de Renaissance, over Pruisen en over het rapalje in uniform.

Over honger gaat het bij Fest ook, maar minder en over seks helemaal niet. Grass wiste meteen na de capitulatie alle sporen uit, het SS-uniform verdwijnt en over Hitler gaat het niet zo vaak meer. Grass voegt zichzelf in zijn herinneringen naar de algemene tijdgeest – althans die haalt hij erbij – van niet-meer-omkijken.

Fest wist in zekere zin alle sporen ook uit – hij had in het Amerikaanse krijgsgevangenenkamp kunnen koketteren met zijn antinazigezindheid van al die jaren, maar hij is niet opgevoed met ‘handig koketteren’. Hij zwijgt erover. Grass’ ijdelheid springt van elke pagina, die van Fest gaat schuil achter het masker van de wellevendheid en artistieke belangstelling.

Uit hun herkomst herleiden zij hun oorlogslessen. Voor de autodidact Grass is het een modieuze flirt met Sartre en het existentialisme, daarna Camus. En verder een strak volgehouden antihouding, waarmee hij het in de jaren zeventig met zichtbaar genoegen tot voorman van het linkse geweten van de eerste naoorlogse generatie Duitsers zou brengen. Fest zou netjes zijn studie afmaken – rechten – en Zeitgeschichte voor de radio gaan beoefenen. Niet verontwaardiging als bij Grass maar scepsis werd voor hem het vehikel van de intellectueel. Later schreef hij beroemde biografieën over Hitler en over Speer. Met Speer als object van blijvende aantrekkingskracht want hoe kon dat eigenlijk: een beschaafd Bildungsbürger en toch rechterhand van Hitler? (Daar gaat Ich nicht overigens helaas niet over, want het boek houdt al kort na de oorlog op). Maar Fest werd bovenal het epicentrum van het conservatief-liberale intellectueel gedachtengoed in Duitsland via het Feuilleton van de Frankfurter Allgemeine dat hij jarenlang leidde. En die in de kolommen wel erg veel ruimte gaf aan historici die Hitler relativeerden. En hij werd dus ook een man die er jarenlang van langs kreeg van de grandioze Blechtrommel-auteur.

Het gekke is – in beide boeken hebben ze het niet over elkaar. Grass trapt nog een keer populistisch anti-jaren-vijftig tegen Adenauer: „Een masker waarachter alles verborgen zat wat ik haatte”.

En Fest trapt amper, behalve één keer toch tegen Grass: „Wanneer Grass (zijn) schaamtegevoel nader verklaarde, dan niet om op eigen schuld te wijzen, maar op de vele redenen die anderen hadden om zich te schamen. Tot ieders schande was de massa daartoe volgens (hem) niet bereid, maar zelf was (hij) door de bekentenis van schaamte al van elk verwijt gevrijwaard.”

Grass en Fest, de vergelijking deugt niet, maar het doet toch denken aan jaren geleden in Frankrijk, aan Sartre en Raymond Aron: onder het genot van hun intellectueel-politieke gevechten kon de landgenoot zich vormen, konden opvattingen aanscherpen en bijstellen.

Zoiets heeft Nederland niet gekend. Heeft er ook geen belangstelling voor. De intellectueel vluchtte hier doorgaans in de prediking of meer nog, in de Spielerei en het cursiefje en tegenwoordig ook in de scheldpartijen op internet en in babbel-tv.

Als Balkenende dat laatste met zijn klacht over de afwezige intellectueel bedoelde – wat bedoelde hij eigenlijk? – dan heeft hij gelijk. Maar de politicus die zoiets wil moet, om nog een andere Duitser te parafraseren, een ander volk kiezen.