Alleen nieuwe partijen doen aan politiek

Niet de kiezers zijn de weg kwijt, maar de gevestigde partijen. Die hebben te weinig oog voor hoe de kiezer de veranderde samenleving beoordeelt, meent Hans Keman.

Hoe komt het toch dat de gevestigde politieke partijen steeds minder kiezers aan zich binden? Tot het eind van de jaren ’80 was dat ongeveer 90 procent van de kiezers en nu is dat 75 procent. Waarom zijn nieuwe partijen en nieuwe uitdagers tegenwoordig wel succesvol? En, ten slotte, is er wellicht sprake van een ‘democratic deficit’ van de Nederlandse politiek?

Het is opvallend dat in politieke analyses de meeste antwoorden gegeven worden in termen van persoonlijkheidsfactoren (‘Rita Verdonk is een betere stemmentrekker dan Marc Rutte’), uitglijders van lijsttrekkers (AOW en pensioenbelasting) en kwaliteiten als debater (beoordeeld in termen van sportwedstrijden in plaats van op inhoud en argumentatie). Succes en falen in verkiezingen worden tegenwoordig vooral uitgelegd in communicatiejargon, oneliners, emotiefactoren en image building.

Het is een veelgehoorde verzuchting: beeld en geluid waren bepalend voor winst en verlies van partijen bij verkiezingen. De politieke boodschap deed er steeds minder toe. Maar is dat ook zo? Waren de kiezers alleen geïnteresseerd in persoonlijkheden, emotie en uitglijders? Kijk naar het aantal bezoeken aan Stemwijzers en Kieskompassen en het is duidelijk dat kiezers zich wel degelijk op de hoogte stellen van wat partijen programmatisch te melden hebben.

Het probleem bij de grote verschuiving van deze verkiezingen ligt niet zozeer bij de kiezer als wel bij de gevestigde partijen. De politieke verhoudingen en onbetwiste zekerheden van weleer bestaan nauwelijks meer. Dat heeft het electoraat niet onberoerd gelaten. Maar deze ontwikkelingen werden veelal genegeerd door de gevestigde machten in de Haagse politiek.

Bij elke electorale raadpleging in de 21e eeuw gaven de kiezers signalen af aan de partijen die grotendeels genegeerd zijn. Het was voor de meeste gevestigde partijen wel een geruststellend gevoel om de heftige bewegingen onder kiezers als uitzondering op de regel op te vatten, maar het is een vals gevoel.

De opkomst van nieuwe partijen is niet van tijdelijke aard. Het is een trend die is ingezet in de loop van de jaren ’90, niet alleen in Nederland maar vrijwel overal in Europa. En het veranderende kiesgedrag is geen incident. Het is een aanwijzing dat de relatie tussen de burgers en de politiek veranderd is. Een teken van deze tijd dat klaarblijkelijk niet verstaan wordt door de traditionele partijen.

Het betekent ook dat de gevestigde partijen zich hiervan rekenschap moeten geven in plaats van krokodillentranen te plengen of te menen dat de kiezer op drift is geraakt. Neen, de samenleving is veranderd en de vanzelfsprekendheden van gisteren tellen niet meer. Ook niet voor politieke partijen. Anders gezegd: niet de kiezers zijn de weg kwijt, maar de gevestigde partijen. Zij moeten zich rekenschap geven van deze veranderingen en hun organisatie en opstelling veranderen.

Echter, de ‘gevestigde’ partijen hebben er vooral baat bij ‘gevestigd’ te blijven. Het verkrijgen van zetels in parlement en kabinet wordt belangrijker geacht dan het vertegenwoordigen van de kiezer. Verkozen worden wordt belangrijker dan het mandaat van de kiezer serieus te nemen. (Denk aan de campagne die – mede door de media – getransformeerd werd in een wedstrijd tussen Bos en Balkenende: wie wordt premier?).

Het ligt dan ook voor de hand dat de afstand tussen kiezer en gekozene groter wordt. Bovendien worden als het ware kartels gevormd, waarbij nieuwkomers geweerd worden, tenzij ze het spel meespelen.

Deze tendens naar afnemende representatie drukt zich ook uit in het feit dat sinds de jaren ’80 van de vorige eeuw de programmatische verschillen tussen de grotere partijen in Nederland vrijwel verdwenen zijn, zo heeft onderzoek aan de VU uitgewezen. Ook dit is geen typisch Nederlands verschijnsel, maar bij ons is het vergelijkenderwijs wel sterk ontwikkeld. Dit heeft twee gevolgen:

De kiezer heeft geen keuze meer, want alle gevestigde partijen bevinden zich in het centrum. Nieuwkomers krijgen daardoor ruimte aan de linker- en de rechterzijde van het politieke spectrum om zich herkenbaar en electoraal succesvol als alternatief te presenteren.

Partijen laten zich niet meer kennen op basis van politieke strijdpunten en conflicterende beleidsvoornemens (oplossingen). Men wenst slechts instemming, zo geen volgzaamheid.

Het ontbreekt in toenemende mate aan een politiek debat en plein publique – een debat dat wel door de nieuwkomers wordt gevoerd (denk terug aan Pim Fortuyn) en waarbij wel de taboewoorden worden gebruikt (buitenlanders, de islam, immigratie, de machtige EU, marktwerking).

Politiek is juist bedoeld om maatschappelijke conflicten te representeren om zo op zoek te kunnen gaan naar een consensus. Echter, de huidige verkokering van partijen en de trek naar het midden van de gevestigde partijen heeft enerzijds geleid tot meer ruimte voor nieuwkomers aan de linker en de rechterzijde en anderzijds ook tot politiek cynisme bij het electoraat.

Moeten we ons hier zorgen over maken? Ja en neen.

Ja, omdat de toename van het aantal wisselkiezers (samen met de thuisblijvers circa 40 procent van het electoraat) laat zien dat de relatie burger en kiezer tot volksvertegenwoordiging onder druk staat. Bovendien leidt de wisselkiezer tot een paradoxaal effect: de kabinetsformatie wordt volledig beheerst door partijen die de verkiezingen verloren hebben. De coalitie die gevormd wordt, zal waarschijnlijk geen afspiegeling zijn van de dynamiek binnen de verkiezingsuitslag.

Neen, omdat – in tegenstelling tot de fase van de verzuilingspolitiek die tot in de jaren ’80 voortduurde – verkiezingen in al hun grilligheid een betere graadmeter zijn van de stemming van het volk dan destijds. Het zou daarom verstandig zijn als de gevestigde partijen zich hier meer van bewust worden. Wellicht kan dit op termijn leiden tot meer diversiteit qua standpunten en bijbehorende discussie tussen gevestigde partijen, zodat kiezer en verkozen afgevaardigde werkelijke keuzes kunnen maken.

Hans Keman is hoogleraar vergelijkende politicologie aan de Vrije Universiteit en Visiting Fellow aan de Australian National University in Canberra.