Waakhond achter de tralies

Justitie en journalistiek dreigen weer eens te belanden in een patstelling over geheime bronnen. Toch zijn deze onmisbaar – en kwetsbaar.

‘Uitgangspunt is dat de bescherming van de bronnen van een journalist één van de essentiële voorwaarden is voor de in een democratische samenleving bijzonder belangrijke persvrijheid.” Dat verklaarde de Hoge Raad tien jaar geleden. Toch heeft de rechter-commissaris in Den Haag nu de gijzeling bevolen van twee journalisten van De Telegraaf omdat zij weigeren hun vertrouwelijke bronnen te openbaren.

Gijzeling van getuigen is een uitzonderlijk dwangmiddel. De Haagse zaak is ook zeker niet alledaags. Hij betreft geheim materiaal van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) dat in het criminele circuit is geraakt en waaruit De Telegraaf publiceerde. Een strafzaak tegen de twee journalisten zelf wegens schending van staatsgeheimen werd niet doorgezet. Nu zijn ze als getuige opgeroepen in een stafzaak tegen twee oud-medewerkers van de dienst wegens ‘lekken’.

Een van de verdachten wil dat de journalisten hun bron noemen omdat zo zal blijken dat hij niet betrokken is. De rechter-commissaris heeft daar nu zijn gezag achter gezet. Vanuit het oogpunt van de waarheidsvinding is dat niet vreemd. Toch hebben de journalisten weinig keus dan de bron van vertrouwelijk verkregen informatie te beschermen. Dat is een onmisbaar middel in de omgang met klokkenluiders en andere kwetsbare zegslieden. Iedere inbreuk is riskant. Vertrouwen komt te voet en gaat te paard, zoals een voormalige topman van het openbaar ministerie placht te zeggen.

Historisch gezien moet de Nederlandse rechtspraak niets hebben van een journalistiek verschoningsrecht, zoals de vakterm luidt. Dat heeft zij duidelijk gemaakt in een hele reeks veroordelingen die teruggaat tot 1852 toen de directeur van de Nieuwe Rotterdamsche Courant weigerde de geheime bron te onthullen van berichten over verduistering bij de bank van lening in Haarlem. De Hoge Raad toonde zich in 1948 onvermurwbaar in het geval van de ultrageheime notulen van overleg tussen Nederland en Indonesië in Lingadjatti. De hoofdredacteur die weigerde zijn bron te noemen werd veroordeeld tot een (symbolische) boete. Dat was H. Lunshof, de vader van de huidige adjunct-hoofdredacteur van De Telegraaf, die nu op de bres staat voor het beroepsgeheim.

Er is sinds 1948 wel iets veranderd, zo niet in de boezem van de Hoge Raad dan toch wel in Straatsburg. Daar zetelt het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Dit bestempelde de journalistieke bronbescherming in 1996 tot „een van de basisvoorwaarden van de persvrijheid” die niet los valt te zien van „de vitale rol van de pers als publieke waakhond”. Dit hof heeft het laatste woord in Europa, een reden voor onze Hoge Raad om van standpunt te veranderen.

Absoluut is de rechterlijke erkenning van de journalistieke bronbescherming niet. Hij moet wijken als er een zwaarderwegend maatschappelijk belang in het geding is. Europese ministers hebben daar overigens aan toegevoegd dat dit slechts „in een enkel geval” mogelijk is. Een dreigende aanslag of iets dergelijks. De justitie heeft eerder als onderzoeksbelang tegen De Telegraaf aangevoerd dat door de publicatie informanten in levensgevaar zouden kunnen worden gebracht. Van direct gevaar is nu kennelijk geen sprake. Het gaat om de integriteit van de ambtelijke dienst. Dat is geen kleinigheid maar typisch voor het soort problemen dat alleen met behulp van geheime bronnen aan het licht kan worden gebracht. Juist als het overheidsbelang groot is, is journalistieke bronbescherming onmisbaar.

Uiteindelijk komt deze afweging toe aan de rechter. Deze heeft de handicap dat een van zijn ogen afgedekt is. De redenen voor openbaarmaking van bronnen zijn vaak wel helder. Maar de reden voor bronbescherming moet uit de aard der zaak stil blijven. Toch is vereist dat het belang van prijsgave zwaarder weegt dan dat van bescherming; bij een gelijk gewicht gaat bronbescherming voor.

Dat is een reden tot terughoudendheid, waartoe sommige ministers van Justitie ook hebben aangespoord. Dat is makkelijker gezegd dan gedaan, getuige de zaak-Voskuil in 2000. Deze Amsterdamse journalist werd 17 dagen door het gerechtshof gegijzeld omdat hij weigerde te verklaren over een mogelijke indiscretie van een politieman. Uiteindelijk bleek deze informatie niet echt nodig voor het proces.

Het illustreert ook dat het gevaar van een ‘patstelling’, waartegen een vooraanstaande jurist jaren geleden waarschuwde, nog steeds niet uit de lucht is. Misschien is dat ook onvermijdelijk en moeten justitie en journalistiek leren ‘agree to disagree’. Daarbij is eventueel plaats voor een keurige boete, zoals in het geval van vader Lunshof. Maar het gebruik van een paardenmiddel als gijzeling kan in een principiële zaak maar beter worden vermeden.

Frank Kuitenbrouwer is medewerker van NRC Handelsblad.kuitenbrouwer@nrc.nl