Stemmen kan overal

Econoom Paul Collier berekent het succes van democratiseringsprocessen.

Bij een inkomen vanaf 2.500 dollar werken democratieën.

„Dit onthaal heb ik niet verdiend, want ik kom u vertellen wat u niet wilt horen.” Het is een kwinkslag om de aula van de Vrije Universiteit wat op te warmen, maar onwaar is het niet. Paul Collier is hoogleraar economie in Oxford. Hij bestudeert de economische problemen van Afrika en beweegt zich op voor vakgenoten onbekend terrein: burgeroorlogen en democratiseringsprocessen. Zijn conclusie: in ontwikkelingslanden werkt democratie vaak niet. Op uitnodiging van de Society for International Development kwam hij dit toelichten.

Collier laat econometrische analyses los op vraagstukken die vanouds zijn benaderd met niet-economische methoden. „Ik houd me bijvoorbeeld bezig met de oorzaken van burgeroorlogen”, vertelt de econoom vóór de lezing. „In een burgeroorlog hebben alle partijen een eigen verhaal: over economische ongelijkheid, sociale uitsluiting of historische grieven. Maar die blijken onbetrouwbaar. Het gaat vaak om macht en geld.”

Collier komt tot verrassende conclusies. In landen die worden geteisterd door gewelddadige conflicten werkt democratisering alleen stabiliserend als het hoofdelijk inkomen hoger is dan 2.500 dollar per jaar. Dat was in 2004 het inkomen in Thailand en de Malediven. Indonesië had toen 1.150 en Colombia 2.000 dollar. Heel Europa scoort hoger dan 2.500 dollar, maar in Afrika alleen Zuid-Afrika en Botswana. Onder dat niveau werkt democratisering burgeroorlogen juist in de hand, zegt Collier.

Zo hebben in de Democratische Republiek Congo de jongste presidentsverkiezingen de kansen op hervatting van de burgeroorlog vergroot. Voor een verklaring put Collier uit zijn analyse van 66 gevallen waarin verkiezingen werden uitgeschreven na beëindiging van een intern gewapend conflict. „40 procent vervalt binnen tien jaar opnieuw in geweld. In het jaar vóór verkiezingen vermindert het risico van geweld en in het jaar erna wordt het juist groter. Dat is gevaarlijk, want internationale vredeshandhavers worden gewoonlijk na verkiezingen teruggetrokken. Verkiezingen bieden uitzicht op macht en partijen steken een tijdlang al hun energie in winnen. Na afloop noemen twee groepen de uitslag legitiem: de internationale gemeenschap en de winnaar. Die laatste zegt: ik heb gewonnen en ik kan doen en laten wat ik wil. De verliezer treft voorbereidingen om zich te verdedigen.”

Veel analisten in het Westen geloven dat democratie economische groei bevordert. Collier: „Democratie is vooral belangrijk voor landen met een etnisch heterogene bevolking, zoals de meeste landen in Afrika. Autocraten hebben de neiging de eigen etnische groep te bevoordelen en alle anderen te bestelen, een roofzuchtige variant van herverdeling. Zo zorgde Mobutu in het oude Zaïre alleen voor de 50.000 handlangers op wie zijn macht steunde. Alleen democratie kan een eind maken aan dergelijk gedrag, maar dat betekent niet dat het ook werkt. In landen met een laag hoofdelijk inkomen is ook de scholingsgraad laag en zijn hervormingsagenda’s moeilijk te verkopen. Jonge democratieën zijn kwetsbaar voor populisme, dat morgen offert aan vandaag. In die landen, zo blijkt uit de cijfers, worden hervormingen juist vertraagd door verkiezingen.”

Ook in ontwikkelingslanden die rijk zijn aan natuurlijke hulpbronnen wordt democratie geperverteerd, zegt Collier. „In die landen beschikt de regering over zoveel inkomsten dat ze eigenlijk geen belasting hoeft te innen. En het zijn juist belastingen die bestedingscontrole – lees: democratisch toezicht – uitlokken. In Nigeria wordt door de meeste deelstaten geen belasting geheven, omdat de gouverneurs liever niet op de vingers worden gekeken.”

Collier vindt dat het Westen te veel nadruk legt op electorale competitie. „Verkiezingen kun je overal organiseren, zelfs in Afghanistan. Democratie is meer. Zodra ze aan de macht zijn, krijgen regeringen idealiter te maken met die elementen van een democratie die macht aan banden leggen: parlementaire controle, een rechterlijke macht, een vrije pers. Instant-democratieën zijn zeer onevenwichtig: intense electorale competitie, maar geen checks and balances. De economische theorie leert waarom. Tegenwichten voor de macht zijn public goods: niemand voelt zich geroepen die te leveren, want niemand in het bijzonder heeft er profijt van. En één groep heeft helemaal geen baat bij zulke tegenwichten: de mensen aan de macht. Electorale competitie levert macht op. Zonder tegenwichten, is dat extra aantrekkelijk.”