Persoonlijke begeleider effectief tegen depressie

Depressieve patiënten met een persoonlijke begeleider die regelmatig contact houdt en adviezen geeft, knappen beter op dan patiënten die alleen ‘gebruikelijke zorg’ krijgen. Het effect is net zo groot als bij tamelijk intensieve psychotherapie en vijf jaar later nog merkbaar.

Dat concluderen Britse onderzoekers die de resultaten van 37 onderzoeken hebben gecombineerd in een zogeheten meta-analyse. Zij schreven gisteren in de Archives of Internal Medicine dat een case manager – die geen arts hoeft te zijn – vooral helpt als hij de therapietrouw van medicijnen verbetert, zelf weer adviezen van een psychiater krijgt, en al ervaring heeft in de geestelijke gezondheidszorg.

De Britse onderzoekers schrijven dat er inmiddels eigenlijk al te veel onderzoek naar gecoördineerde zorg (collaborative care) voor depressieve patiënten is gedaan. De laatste tien of wellicht twintig van de 37 onderzoeken voegden niets meer toe. Commentatoren in de Archives of Internal Medicine vinden dat het de hoogste tijd is voor de praktijktoepassingen.

„Het probleem daarbij is,” zegt psychiater dr. Ton Vergouwen die begin dit jaar in Utrecht promoveerde op een proefschrift over depressiebehandeling, „dat in de verschillende onderzoeken de inhoud van collaborative care varieert. In het ene onderzoek belt de case manager – bij ons zou dat de praktijkverpleegkundige kunnen zijn – bijvoorbeeld zes keer in een half jaar met de patiënt. In een ander onderzoek is er regelmatig contact met een case manager en zelfs tweemaal met een psychiater. Dat vinden we in Nederland eigenlijk al een behandeling in de tweede lijn.”

Vergouwen is psychiater in het Sint Lucas Andreas Ziekenhuis in Amsterdam. Hij onderzocht tijdens zijn promotie twee vormen van systematische begeleiding door de huisarts. De ene intensieve vorm had bijvoorbeeld uitgebreide voorlichting, en instructies aan de patiënt om sociale contacten uit te breiden. De andere, eenvoudige aanpak was een maandelijkse controle met aandacht voor therapietrouw en voor veranderende ziekteverschijnselen. De patiënten kregen antidepressiva. Beide methoden waren even succesvol. Vergouwen: „Die eenvoudige aanpak lijkt erg op wat in de vorig jaar gepubliceerde depressierichtlijn voor huisartsen wordt aanbevolen. Daar staat in dat er regelmatig, in het begin bijvoorbeeld eens in de veertien dagen contact moet zijn, later eenmaal per maand. Maar die regelmaat wordt in de praktijk zelden gehaald.”