Noodlot

Google laat me in de steek. De meest krankzinnige zoekopdrachten – ik bezit een koppige natuur – leveren steeds meer doden op, maar niet de dode die ik wil hebben. Kom op Google, ik vraag alleen maar naar de naam van de Belgische wielrenner die dodelijk verongelukte tijdens de Tour du Haut Var in het begin van de jaren tachtig van de vorige eeuw. Het was toch een Waal, of vergis ik me nu? Mijn aanwijzing dat het in 1982 gebeurd moet zijn doet bij u ook al geen lichtje branden. Uw ‘Lijst van bekende personen die op jonge leeftijd zijn gestorven’ vind ik een belediging. Mijn wielrenner was niet ‘bekend’. Wellicht hoopte hij het te worden.

De dag dat de onbekende wielrenner verongelukte, reed ik ook in de Tour du Haut Var. Het weer was slecht, de smalle afdalingen lagen verraderlijk. Tijdens de laatste beklimming ging bij mij het licht uit. Een dag later hoorde ik het trieste bericht. Ik geloof niet dat ik er lang bij stilstond. Ik was jong, de dood behoorde tot andermans vocabulaire.

Pas toen ik een bezadigd en geroutineerd coureur was, kwam de dood om de hoek kijken. En dan alleen in telkens dezelfde nachtmerrie die ik ’s ochtends genadeloos van me af douchte. Terug bij de levenden prefereerde ik een snelle dood boven het vooruitzicht om in een kliniek, met een slabbetje voor, gevoed te worden, terwijl ik me de namen van mijn dierbaren niet meer kon herinneren.

Wielrennen is een gevaarlijke sport. Het balanceren op het slappe koord van de ironie (wat topsport in feite is) kan zomaar omslaan in het balanceren op het nog slappere koord van het leven.

„Vallen hoort erbij, de dood niet”, zegt Aart Vierhouten, die voor zijn neus de Spanjaard Isaac Galvez te pletter zag slaan op de balustrade tijdens de voorlaatste nacht van de Gentse zesdaagse.

Vallen hoort erbij. Het zijn de woorden van een door de wol geverfde professional. Vallen is routine.

Ik herinner me al mijn valpartijen als tamelijk intieme momenten. Eerst voel je dat de val eraan zit te komen, dan gebeurt het. Je verzet je niet tegen het noodlot, je geeft je eraan over. Tijdens de beweging van de val, die zich in mijn geheugen gegrift heeft als een actie in slow motion, bereid je je voor op het neerkomen: hoe kom ik hier zo ongehavend mogelijk uit vandaan? Volledig bij bewustzijn ontwijk je harde obstakels. Je raapt je fiets weer op en gaat verder.

Ik ben eens in een ravijn gesodemieterd – er was geen vangrail. Eerst balanceerde ik op het randje, toen begon de zwaartekracht wel erg hard te trekken. Ik had geen angst, er was alleen deze nuchtere vraag: o jee, is het nu mijn beurt? De afdaling duurde minuten, ik leek een neerdwarrelend herfstblad. De klap beneden daarentegen kwam hard aan.

Maar ik bleek niet dood.

Ik vrees dat Isaac Gálvez, in bittere verwondering, het doven van zijn eigen licht heeft vastgesteld.