Het systeem was de nieuwe norm

Het 19de-eeuwse Nederland was geen natie met een slaapmuts op.

Er was enorme daadkracht, die uitmondde in een infrastructuur van bijna alles.

Vanaf ongeveer 1850 raakt ons voorheen ‘lege’ land overdekt met een netwerk van communicatielijnen. ‘Het groeide als kool’, zegt Auke van der Woud in Een nieuwe wereld, een fascinerende studie over de aanleg van deze nieuwe infrastructuur.

Kool. Het lijkt een merkwaardige beeldspraak als je het over kadaster, waterstaat, ontginning van woeste gronden, zeehavens, staatsrecht en staatshuishouding hebt, of over de aanleg van spoor-, water-, en steenwegen, telegraaf- en telefoonlijnen. Maar gaande de lezing van Een nieuwe wereld blijkt in de harde wereld van stoom en ijzer een aantal ongrijpbare factoren mee te spelen, een extra dimensie zo te zeggen. Infrastructuur blijkt in aanleg en consequentie, eerder dan een ‘systeem’ dat van bovenaf kan worden opgelegd, een ‘organisme’. En dan blijkt de bloemkool plotseling een onvermoede beeldende kracht te bezitten.

‘Systeem’, ‘stelsel’, het zijn de toverwoorden van de tweede helft van de 19de eeuw. Van der Woud schrijft in zijn voorwoord: ‘Opmerkelijk veel teksten over wetenschappelijke, technische, economische en zelfs staatkundige innovaties beschrijven deze als systeem of stelsel. […] Elke grote wetenschappelijke ontdekking bevestigde de idee dat de werkelijkheid een systematische orde had.’ Vanuit die gedachte ging men aan het werk, met toenemende, wiskundige precisie. Cartografie, posterijen, spoorwegen, telegrafie, telefonie, wegen, kanalen, elektriciteit, verharde wegen, uniformering van de kloktijd. Dit waren allemaal netwerken op zich, en samen vormen ze één groot netwerk. Een systematische beheersing van tijd en ruimte.

Dit klinkt allemaal nogal abstract, maar het mooie van Een nieuwe wereld is dat Van der Woud begint bij zeer praktische zaken. We vernemen uitgebreid hoe de verschillende onderdelen van de infrastructuur tot stand komen, tot en met details als (over het telegraafverkeer) ‘een gegalvaniseerde ijzerdraad type nummer acht, met een doorsnee van 4 millimeter’. Opvallend is dat de macht over het systeem gaandeweg door het systeem zelf wordt overgenomen, het wordt een organisme dat op eigen kracht groeit en niet langer helemaal beheersbaar is. Zo denkt de regering van Vlissingen de voornaamste zeehaven te maken – het blijkt niet in het stelsel te passen en Rotterdam boomt. Dan maar systematisch op die stad gefocust? Amsterdam blijkt (deels op emotionele gronden, maar ook die tellen mee) onuitroeibaar als havenstad, de haven van Harlingen komt weer niet van de grond. Door telegraaf en (later) telefoon kan een beetje handelaar zich niet langer de posterijen als communicatiemiddel veroorloven: het systeem neemt het over. Het ene systeem maakt daarbij het andere stelsel noodzakelijk: het spoorwegnet brengt centrale tijdmeting met zich mee (overstaptijden), water- en landwegen sluiten aan op spoorwegen, om dat goed te kunnen doen is een cartografisch stelsel nodig, enzovoort, en zo verder.

Er zit zeker ook een aspect van zelfvermenigvuldiging in, zowel qua vorm van het netwerk als in de snelheid waarmee het tot stand komt. Als het eerste stuk van een steenweg gelegd is, kan het materiaal voor het volgende traject sneller worden aangevoerd. En is de steenweg eenmaal gereed, dan duikt een uitvinding als fiets of automobiel op – die op zand- of modderwegen zouden vastlopen. De schaalvergroting is daarbij enorm. De vooruitgang is niet langer voorbehouden aan de elite, zij democratiseert: communicatie wordt massacommunicatie.

Je krijgt er opnieuw het beeld bij van een reusachtige bloemkool: elk roosje het evenbeeld van de hele struik. De bloemkool groeit echter niet overal even hard. Meer dan eens stipuleert Van der Woud dat de netwerken zich niet regelmatig gedragen. Op plaatsen met veel activiteit vermenigvuldigen ze zich veel sneller. Zo kan het gebeuren dat al aan het einde van de 19de eeuw zich de contouren aftekenen van wat we tegenwoordig ‘Randstad’ noemen, de rest van Nederland wordt achterland. Het valt te betwijfelen of dat was voorzien, bijvoorbeeld door iemand als de uit Zwolle afkomstige Thorbecke.

Vaak is het 19de-eeuwse Nederland beschreven als een natie met de slaapmuts op. Bij Auke van der Woud vinden we een ander beeld. De tweede helft van de 19de eeuw in Nederland wordt gedreven door optimisme, idealisme en daadkracht. De wereld lijkt maakbaar. Die drive levert een nieuwe wereld op, die steeds naar een hogere versnelling schakelt. Nederland wordt een web, en verbindt zich met het web van de wereld. Dat zijn de feiten. Een nieuwe wereld is echter geschreven vanuit de idee dat de werkelijkheid onze subjectieve constructie is. Veranderingen in de werkelijkheid brengen immers niet alleen praktisch nut, ze veranderen óók het gevoel. En ze scheppen nieuwe behoeften. De mogelijkheid van een dagje uit de natuur in (trein, tram, fiets, steenwegen) maakt dat mensen dat ook inderdaad massaal willen. De dagjestoerist voelt de natuur daarbij anders aan dan de boer die er woont: ‘Een weistrook hier, een gelend korenland daar; als achtergrond het omheinend hakhoutriggeltje. Daarnaast is er een plukje boomen tot schaduwgroepje bedacht, in de wei zijn wat koeien tot grazen neergezet. Groen is de geheele schouwburg.’ (1900)

Cruciale woorden. Door alle wilsinspanningen is de wereld een voorstelling geworden. De 19de-eeuwse poging uitzonderingen en uitwassen met de ‘norm’ te bestrijden, chaos met systeem, heeft weliswaar veel opgeleverd, maar niet slechts positief. ‘Mensen creëerden een opzienbarende macht over tijd en ruimte,’ zegt Van der Woud, ‘maar tegelijkertijd groeide hun afhankelijkheid van de machtige stelsels die ze schiepen.’ Wat te doen bij die doorwoekerende overmacht? Er zat weinig anders op dan maar een andere, eigen wereld te scheppen, een voorstelling dus. Misschien zou je kunnen zeggen dat er een rode lijn loopt van Vondels ‘De wereld is een schouwtoneel’ via de 19de eeuw naar Big Brother, waar de mens als schouwtoneelacteur func-tioneert. Ik weet het niet. Maar het is een mooi voorbeeld van het effect dat een meesterlijk boek als Een nieuwe wereld genereert: je kijkt in de geschiedenis, maar je ziet je zelf. Gevangen in een bloemkool.

Auke van der Woud: Een nieuwe wereld. Het ontstaan van het moderne Nederland. Bert Bakker, 464 blz. € 29,95