‘Deskundige oordeelt niet over schuldvraag’

De gerechtelijk deskundige Frederik de Wolff heeft slapeloze nachten van Lucia de B. Hij krijgt de schuld van haar veroordeling tot levenslange opsluiting.

Op 19 september 2006 stuurde de schrijver Maarten ’t Hart een e-mail naar een oude vriend van hem, de toxicoloog Frederik de Wolff. Die had net afscheid genomen als hoogleraar aan het Leidse UMC en Maarten ’t Hart wilde weten waarom hij in zijn rede wel had gesproken over fouten in de strafprocessen na de moorden in Schiedam en Putten, maar niet over Lucia de B.

Lucia de B. was de Haagse verpleegkundige die in juni 2004 tot levenslang was veroordeeld voor de moord op zeven kinderen en volwassenen. De Wolff was een belangrijke gerechtelijk deskundige in die zaak geweest. Hij had gezegd dat een van de kinderen was overleden door digoxine, een hartmedicijn. Met deze verklaring werd door het hof in Den Haag het bewijs tegen Lucia de B. geconstrueerd.

Maar Maarten ’t Hart was ervan overtuigd dat het toeval was, die zeven doden. Volgens hem was Lucia de B. hetzelfde overkomen als Josyne van Beethoven in 1595. Die werd van hekserij beschuldigd, omdat er vier keer een paard was doodgegaan toen zij langsliep. ’t Hart had er slapeloze nachten van, schreef hij aan De Wolff.

De Wolff schreef terug dat hij ook niet sliep door Lucia de B. en dat hij hoopte op een heropening van de zaak. Volgens hem was er een „grondige evaluatie” nodig van de processen tegen De B., door „werkelijk wijze juristen” die uitstegen boven het „niveau van believers en non-believers in de schuld van deze vrouw”. Hij wilde er graag met ’t Hart over praten. Maar hij ging eerst op reis.

Maarten ’t Hart dacht door die e-mail dat De Wolff met „gemengde gevoelens” terugkeek op zijn „wellicht toch te stellige getuigenverklaringen”. Hij schreef er een artikel over, dat op 7 oktober verscheen in NRC Handelsblad. De redactie berichtte dat De Wolff betwijfelde of Lucia de B. terecht tot levenslang was veroordeeld. Hij werd niet bereikt voor commentaar.

De Wolff, die nu weer terug is in Nederland, zegt dat het de verkeerde conclusie was. Hij twijfelt niet aan zijn verklaring over de digoxinevergiftiging. En over de uitspraak van het hof heeft hij geen oordeel. „Ik ben geen rechter.”

Waar ligt u dan van wakker?

„De gedachte dat ik in de publieke opinie de schuld krijg van een onterechte veroordeling tot levenslange gevangenisstraf. En dat mijn wetenschappelijke integriteit in het geding is.”

Dat komt door Ton Derksen, de wetenschapsfilosoof uit Nijmegen die een boek schreef over Lucia de B. Volgens hem is er geen bewijs voor een digoxinevergiftiging en deugt de redenering van het hof niet. Hij meldde de zaak aan bij de commissie-Buruma, die onderzoekt of er redenen zijn om de strafzaak te heropenen. Op 19 oktober werd bekend dat de zaak Lucia de B. onderzocht zal worden op mogelijke fouten. De uitslag wordt in december verwacht.

Het probleem is volgens De Wolff de positie van gerechtelijk deskundigen in strafprocessen. Rechters en aanklagers kijken in de rapporten die ze van hen krijgen naar passages die „begrijpelijk overkomen” of die passen in „een bepaald beeld”. En gerechtelijk deskundigen overzien niet altijd wat „de consequenties zijn van hun op zichzelf correcte wetenschappelijke formuleringen”.

Bedoelt u dat u niet wist dat het hof uw verklaring over de digoxinevergiftiging zou gebruiken als bewijs – het enige harde bewijs – tegen Lucia de B.?

„Ja. Ik wist dat absoluut niet.”

Als u dat wel had geweten, had dat dan wat uitgemaakt voor uw verklaring?

„Nee.”

Wat is dan het probleem?

„Het gewicht dat aan mijn verklaring is gegeven. En de suggestie dat ik een uitspraak zou hebben gedaan over de oorzaak van de digoxinevergiftiging, namelijk toediening door Lucia de B. Ik weet niet hoe de digoxine in het lichaam van het kind is terechtgekomen. En het hof heeft het me niet gevraagd. Een deskundige is er om feiten aan te dragen, niet om een oordeel over de schuldvraag te geven.”

Hij vertelt dat hij in 2004 werd gebeld door het hof, dat de zaak Lucia de B. in hoger beroep behandelde. Eerder had het Nederlands Forensisch Instituut voor de rechtbank gezegd dat er bij een van de kinderen digoxine was gevonden. Maar een toxicoloog uit Groningen sprak van een overdosis kalium. De Wolff, een ervaren gerechtelijk deskundige, werd gevraagd om het hof „inzicht te geven in de toxicologische omstandigheden” rond de dood van het kind.

Het antwoord, in zijn rapport, was dat de gevonden concentraties niet konden worden verklaard door therapeutische toediening van digoxine. Die was zeven weken eerder gestopt. De gevonden concentraties „konden passen bij het overlijden”. Voor het hof was hij stelliger: het kind was overleden door digoxine. „Een rechter denkt niet in termen van ‘mogelijk’ of ‘grote kans’. Die vraagt om ja of nee.”

Heeft u dingen gezegd die u niet wilde zeggen?

„Nee. Maar ik vind dat een kinderpatholoog en een kindercardioloog ook een oordeel hadden moeten geven. Mijn deskundigheid houdt op bij het moment dat het hart stilstaat.”

U zei voor het hof dat een hart door een digoxinevergiftiging samentrekt. Later hoorde u dat het hart van dit kind niet was samengetrokken.

„Toen heb ik me wel even afgevraagd of ik niet toch een denkfout had gemaakt. Maar pathologen zeiden tegen me dat een samengetrokken hart na de dood niet samengetrokken blijft.”

Het Franse instituut dat op verzoek van het NFI nog een onderzoek deed, vond geen concentraties die de dood konden verklaren.

(Die uitslag kwam toen het hof al uitspraak had gedaan en dat is een van de redenen waarom Ton Derksen de zaak heeft aangemeld bij de commissie Posthumus.)

„Er zijn andere meetmethoden gebruikt, met andere monsters, nadat het materiaal lange tijd ingevroren was geweest. Die uitslagen spreken elkaar niet tegen. Ton Derksen denkt van wel, maar dat ziet hij verkeerd. Hij isoleert een deel uit het geheel en plaatst dat in een nieuw verband. Het lijkt overtuigend, maar het is onzin.”

Volgens De Wolff had het anders kunnen lopen als er in Nederland naast het NFI – dat onder justitie valt – een onafhankelijk forensisch centrum was geweest dat tegenonderzoek had kunnen verrichten. Hij vindt dat nodig, omdat de forensische wetenschappen zich sneller ontwikkelen dan het NFI kan bijhouden. Daardoor werden er fouten gemaakt in de processen na de moorden in Schiedam en Deventer. Door díe fouten”, zegt hij, zijn mensen gaan denken dat er in andere strafzaken ook wel fouten zullen zijn gemaakt.

Waarom wilt u dat de zaak heropend wordt?

„Om de twijfel over de digoxinevergiftiging weg te nemen.”

En omdat u dan niet meer de schuld zou krijgen van een onterechte veroordeling?

„Dat bedoel ik.”

Op 5 november stuurde ’t Hart weer een e-mail naar De Wolff, met een citaat van Tsjechov. „Beschuldigen en vervolgen is niet de taak van schrijvers en wetenschappers. Aanklagers, officieren van justitie en gendarmes zijn er zonder hen al genoeg.”

Eerdere artikelen over de zaak-Lucia de B. zijn te lezen op www.nrc.nl/binnenland