De nachtwaker

De eer van de oude nachtwaker Jozef is geknakt, als blijkt dat de tenten op de camping met een scheermesje zijn opengesneden. Gaat nu iedereen nachtwaken?

De camping was ’s nachts beroofd. Overal op het terrein vond je scheermesjes, waarmee de voortenten waren opengesneden. Vakwerk was het. Niemand had iets gemerkt. In het waslokaal stond men elkaar in allerlei talen toe te schreeuwen voor hoeveel geld men was bestolen. Een groepje Hollanders kondigde aan dat ze de volgende nacht met een bijl in de hand achter een muurtje zouden liggen.

Het ergste was dit alles voor de oude nachtwaker Jozef. Zijn eer was geknakt. Jozef was oud en klein, hij stond bol door de vele kleren die hij aan had. Over alles heen droeg hij een lange militaire jas. In de zak van die oude legerjas bewaarde hij een schroevendraaier waar hij een punt aan had gemaakt. Dit was het dodelijke wapen, dat hij aan mij en aan wie dan ook liet zien om te bewijzen dat hij een gevaarlijke tegenstander was. Overdag wandelde hij stram en stijf en argwanend kijkend rond over de hele camping, ’s nachts kwam hij niet verder dan de poort. Na de beroving moest hij weg van de zuinige Nederlandse eigenaar. Er werd nu gratis gewaakt.

In de kantine werden de krijgsplannen besproken. De man die het hoogste woord voerde was een grijze heer, die als enige de beschikking had over een ferme gummiknuppel. Hij was een gepensioneerd politieman en had ongevraagd de leiding genomen. De rest van de Nederlandse nachtploeg was uitgerust met fikse houten stokken. De politieman deelde de ploegen in. „En kijk uit voor de Duitser die aan de rand van het bos staat”, zei hij, „hij heeft zijn plek beveiligd met boobytraps. Om de bomen heeft hij zwarte vislijnen gespannen met vishaken en scheermesjes eraan, die zie je niet in het donker.”

’s Nachts om vier uur stond ik op, pakte mijn zaklantaarn en ging naar buiten. Daar stond ik dan in de doodstille nacht op de pikdonkere camping. Er brandden slechts drie lampjes op het middenpad. De Hollandse eigenaar van de camping was een zuinig man. Ik sjokte naar de poort om me te melden. Tot mijn verbazing vond ik daar de ontslagen oude nachtwaker Jozef, die meldde dat het een mooie nacht was. „Kom terug om half zes”, zei hij, „dan komen daar (hij wees in de richting van de zee) de planeten op. Eerst zie je Mars en dan verschijnt Jupiter en dan volgt de zon. De nacht is mooi.”

Ik liet hem achter bij de poort en begon struikelend aan mijn ronde. Hoe moet je iemand aanhouden, als je geen enkele bevoegdheid hebt om iemand aan te houden? Over deze kwestie piekerend bereikte ik de oever van de rivier, en keek naar de vissers die in het licht van de maan van zee kwamen terugroeien, geluidloos over de nevelige rivier. In de serene rust van de stille nacht bonkte mijn hart van schrik toen ik geritsel achter me hoorde, en er plotseling drie doodstille donkere kerels achter me opdoken. Een van hen was de grijze heer met de gummiknuppel.

„Wij gaan nu slapen”, zei de politieman, „alles is veilig.”

„Het is misschien een stomme vraag”, zei ik, „maar hoe weet je dat iemand verdacht is?”

„Dat is heel eenvoudig”, zei hij, „Toevallig hadden we een uur geleden een Fransman die verdacht bij een voortent rondscharrelde. Ik zei tegen hem dat we vermoedens hadden dat er bij hem was ingebroken, en gelastte hem zijn tent binnen te gaan om te controleren of hij niets miste. Kijk, als het zijn tent niet is, wordt de eigenaar wakker en het vogeltje is gevangen. Succes!”

Alsof de duivel ermee speelde, ik was nog geen tien meter verder toen ik weer geritsel achter me hoorde. En ditmaal was het iemand die zeer behoedzaam bewoog. Er sloop iemand achter me aan die op een gunstig moment wachtte. Ik ging langzamer lopen en nog langzamer. Mijn aanvaller kwam dichterbij. Nu, dacht ik, en draaide me razendsnel om. Ik stond klaar om wie dan ook een warme ontvangst te bereiden met een heel arsenaal van slagen en stoten, maar het was alleen mijn partner maar, die daar slaapdronken stond te glimlachen. Ze zag er lief uit, en we liepen hand in hand naar de oever van de rivier, waar we weer verliefd werden op elkaar, en daarna liepen we hand in hand naar de poort, waar de oude Jozef ons begroette. Hij zei dat we net op tijd waren voor Mars, Jupiter en de zon. Eerst zagen we Mars, toen volgde Jupiter en daarna kwam de zon. De nachtwaker trok zich terug op een stoel bij de wc’s. Alles was veilig.