Zo, de kiezer kijkt weer toe

De kiezer heeft in ons systeem behalve die ene stem verder niets te zeggen.

Maar de betrokken burger is al lang niet meer loyaal aan één partij.

De stembus is gesloten, de formatie begonnen. En alles ligt weer open. Er is immers geen kabinet gekozen – en evenmin is er een duidelijke politieke richting bepaald. Alleen de krachtsverhoudingen liggen vast.

Bij Tweede-Kamerverkiezingen mag de kiezer slechts een strategische zet doen in een spel dat nog moet beginnen. De machtsvraag komt pas achteraf aan de orde. Dat komt doordat wij een corporatieve democratie kennen, met beroepsbestuurders en een erfelijk staatshoofd. Het is geen kiezersdemocratie met directe invloed of duidelijkheid.

Bij ons hebben partijen het voor het zeggen – de politieke beroepsgroep spreekt af met welk programma en met wie een nieuwe regering wordt gevormd. Die hóéft niet eens een meerderheid te hebben.

De premier en de ministers worden daarna uit eigen gelederen benoemd, verdeeld naar partij. Waar die vandaan komen is iedere keer weer een verrassing. Net als dat het geval is bij de burgemeesters, de departementale topambtenaren, de commissarissen van de koningin, de voorzitters van de toezichthoudende autoriteiten, het bestuur van de NOS, enzovoort, enzovoort.

De burger staat erbij en kijkt ernaar. Over uiterlijk vier jaar is er weer zo’n democratische peiling en mag er opnieuw op partijen worden gestemd. Maar dat is het dan. Lid van zo’n partij zijn weinigen – en het worden er jaarlijks minder.

Nu is amper 3 procent van de kiesgerechtigde bevolking lid van een politieke partij. Van hen is maar een klein deel ook actief. Wie op die kandidatenlijsten komen, waar het programma vandaan komt en wat er na de verkiezingen mee gebeurt – het is voor de burger een gesloten doos.

De oorzaak ligt deels bij de politieke partijen zelf. De zuilen – maatschappelijke clusters van gelijkgezinden – die ze ooit vertegenwoordigden, zijn verzwakt of uit elkaar gevallen. De betrokken moderne burger is al lang niet meer vanzelfsprekend een loyaal aanhanger van een partij of groep. Net zo min als van een merk, een krant, een werkgever, een geloof, een overtuiging of een partner.

Het zweven is een levenshouding geworden: ieder jaar veranderen er meer zetels van partij. Bij de verkiezingen in 2003 waren dat er 24. Dit jaar 31. Nederland is met een ‘kiezersbeweeglijkheid’ van 23,4 procent over 2000-2004 de Europese koploper. Oostenrijk en Italië zitten ons op de hielen.

Beleid, personen en prestaties zijn tegenwoordig belangrijker dan programma’s, partijen of beloften, zeggen politicologen. Dat het openbaar bestuur desondanks nog steeds wordt gedomineerd door die partijen en structuren, zorgt voor spanning en onvrede bij het electoraat. En voor steeds nieuwe partijen.

D66 is een vroeg voorbeeld van het gevoel dat het partijstelsel niet meer aansluit op wat de moderne burger vraagt. DS’70, Boerenpartij, Centrumpartij, Ouderenpartij, LPF en nu de Groep Wilders en de Partij voor de Dieren zijn ook ‘zuilverlaters’ die voor zichzelf begonnen.

Echt uitzicht op systeemveranderingen is er niet. Systeemveranderingen dus die de kiezer zelf invloed geven om thema’s te bepalen, fouten te corrigeren, problemen op te lossen of bestuurders te kiezen. De portefeuille van de minister voor Bestuurlijke Vernieuwing, in de kabinetten-Balkenende II en III, kwam er op verzoek van D66. Een partij die nu weinig kans maakt op regeringsdeelname.

Veel veranderingen die D66 voorstelde zijn overgenomen door de SP, die wel fors won. Systeemveranderingen staan bij gevestigde partijen echter niet hoog op de agenda. Terwijl er toch tal van interessante vernieuwingen mogelijk zijn.

Daarom hierbij een inventaris voor de toekomst van de democratie, voor de volgende verkiezingen. In 2010 – of zoveel eerder als de Kamer wil.