Ethiek in de politiek

Michiel van Hulten herinner ik me eigenlijk alleen van een actualiteitenrubriek waarin hij samen met drie andere mededingers werd voorgesteld als iemand die voorzitter wilde worden van de Partij van de Arbeid.

Het was een armoeiige uitzending, maar dat kan aan mij gelegen hebben. Naïef als ik ben, vind ik dat je op z’n minst iets moet voorstellen in de kunst of de staatskunde, wil je je mogen opwerpen als verenigingsleider van zoiets gewichtigs als ’s lands grootste oppositiepartij. Maar ja, hooggespannen verwachtingen. Dan valt het altijd tegen.

In de studio zaten twee sympathieke dames uit, ik meen, Diever en Scheemda, die graag iets maatschappelijks om handen wilden hebben omdat ze toch uit de kinderen waren. En naast de toen al gedoodverfde winnaar lachte een Limburgse Prins Carnaval die een lange carrière van bier en actie achter de rug had.

Het zou een walk-over worden, dat zag je in één oogopslag. De drie anderen hadden buiten hun respectieve gemeentes nooit erg aan de weg getimmerd, terwijl Michiel niet alleen de zoon was van een voormalig staatssecretaris onder Den Uyl, maar ook nog zelf lid was geweest van het Europees Parlement, en in 1997 bovendien, als een Kay van de Linde van links, ‘had meegewerkt aan de verkiezingscampagne van Tony Blair’.

Toen de jonge Van Hulten in Nieuwe Revu vervolgens een ‘eed van zuiverheid’ voor journalisten had bepleit, en een dag later liet weten dat hij dat niet zo letterlijk had bedoeld, had Wouter Bos zijn gedroomde geestverwant gevonden. Op 9 december 2005 was de benoeming een feit.

Waarschijnlijk zouden we nooit meer iets over de nieuwe voorzitter hebben hoeven horen, en misschien hadden we niet eens in de gaten hoeven krijgen dat hij de campagneleider van de parlementsverkiezingen was geworden – als hij er achteraf niet zelf mee voor de dag was gekomen.

Interessant aan zijn bekentenissen in de NRC van afgelopen zaterdag (kop: ‘Wij hadden ook onaardig moeten zijn’) was bovenal zijn woede over het CDA. Die kwam eigenlijk neer op de klacht van een schaker die een stupide zet heeft gedaan waarmee hij zo goed als zeker z’n dame, dus de partij verspeelt. Hij kan alleen nog maar hopen dat Maxime Verhagen, zelf tenslotte ook niet zo’n licht, het niet heeft gezien. Maar verdomme nog an toe – hij ziet het wèl. En terwijl hij de dame pakt, weet de Partij van de Arbeid dat ze net zo goed haar koning meteen kan omleggen.

,,Wat had u daartegen kunnen doen?”, vroeg de verslaggeefster.

En voorzitter Michiel: ,,Je kunt het je niet veroorloven om je te laten piepelen door de andere partij.”

Piepelen.

Mensen die over piepelen spreken heb ik altijd bijna net zo erg gevonden als mensen die het woord puzzel uitspreken met de u van ruzie.

Maar hoezo eigenlijk ‘laten piepelen’? Michiel van Hulten is dan misschien wel de zoon van een staatssecretaris en hij heeft in 1997 misschien wel een hele Londense straat met Tony Blairs mogen volplakken, maar in die partij schaak bleek hij een rund, en lijsttrekker Bos wist evenmin hoe nu verder. Dan heb je je toch niet laten piepelen? Dan had je jezelf ofwel voor je stomme kop moeten schieten, ofwel eerlijk je meerdere moeten erkennen in de tegenpartij.

Maar eerlijk?

De voorzitter van de Partij van de Arbeid schetste in het vraaggesprek hoe hij gedurende de campagne voor een groot ethisch, hij noemt het zelf ‘duivels’ dilemma had gestaan. Hij had, omdat hij niet kon winnen, Verhagen het liefst willen doodschieten. Maar dat kon hij niet over z’n hart verkrijgen.

En bij m’n eed van journalistieke zuiverheid kon ik niet nalaten te denken: jesses,

Lees alle columns van Jan Blokker op http://weblogs.nrc.nl/weblog/blokker/