De Nederlanders leiden een volksopstand

De verkiezingsuitslag in Nederland past in een breder Europees patroon. De kiezer heeft genoeg van de hervormingen die centrum-rechts doorvoert, zegt Wolfgang Munchau.

De Europese kiezers blijven in een opstandige stemming. Een jaar geleden verwierpen de Nederlanders de Europese Grondwet. Afgelopen week straften ze het politieke establishment af met versterking van de SP die tegen globalisering is, en met de anti-immigratiepartij Partij voor de Vrijheid. Jan Peter Balkenende, de christendemocratische Nederlandse minister-president, zal er waarschijnlijk wel in slagen een coalitie samen te stellen, zij het een zonder centrale agenda.

Wat ging er mis in de Nederlandse politiek? Er zijn veel specifieke onderwerpen die een rol speelden om de Nederlanders zich tegen alles te doen keren, zoals immigratie en de vergroting van de Europese Unie. Maar de algemene verklaring is dat de Nederlanders, net als veel andere Europeanen, onzeker zijn over hun toekomst en lijden aan hervormingsmoeheid. De centrum-rechtse coalitie van Balkenende behoorde tot de actiefste hervormers in Europa die verschillende sociale hervormingen doordrukte. De oppositiepartijen wonnen stemmen, voor een deel doordat ze beloofden het proces terug te draaien.

De problemen waar Balkenende mee te maken had, maken deel uit van een bredere Europese trend. De centrum-rechtse partijen van het continent hebben met een teruggang te maken sinds ze hervormingen omarmden. Angela Merkel, de kanselier van de grote coalitie in Duitsland, voerde vorig jaar campagne voor radicale hervormingen en bereikte een van de slechtste verkiezingsresultaten uit de geschiedenis van haar partij. De CDU-ministerpresident van de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen schokte onlangs zijn partij door de sociale hervormingen als overbodig en onrechtvaardig te hekelen. Hij heeft zich daarmee links van de sociaal-democraten geplaatst en een zware confrontatie binnen de coalitie opgeroepen.

Ook in Oostenrijk verkeren de christendemocraten in moeilijkheden. Wolfgang Schüssel, de vertrekkende kanselier, werd door de kiezers afgewezen, ondanks zijn spectaculaire, economisch successen. Zijn sociaal-democratische oppositie won de verkiezingen omdat zij zich richtten op diepgewortelde onzekerheden in het electoraat.

Het Europese vasteland bevindt zich in een antihervormingsstemming, die van land tot land gaat. Deze stemming leidt ertoe dat steeds minder stemmen gaan naar de hervormingspartijen van het midden. Frankrijk zou wel eens het volgende land kunnen worden waar de kiezers zich tegen hervormingen uitspreken. Eerder dit jaar moest premier Dominique de Villepin een programma om de arbeidsmarkt voor jongeren te liberaliseren, intrekken.

Nog onlangs beloofde de voorzitter van de centrum-rechtse UMP en kandidaat voor de komende presidentsverkiezingen, Nicolas Sarkozy, economische hervorming tot de kern van zijn campagnestrategie te maken. Maar met de opkomst van de populistische Ségolène Royal als de socialistische presidentskandidaat heeft Sarkozy zijn hervormingsretoriek duidelijk gematigd. Ik vermoed dat hij van mevrouw Royal zou verliezen als hij de campagne ingaat met een boodschappenlijstje van vrije-marktachtige economische hervormingen.

Heeft de Luxemburgse premier Jean-Claude Juncker dan gelijk met zijn beroemde uitspraak: „We weten allen wat er moet gebeuren, maar we weten niet hoe we herkozen moeten worden, nadat we dat hebben uitgevoerd?” Het antwoord is ja en nee. Hij heeft gelijk in de zin dat politici geen idee hebben hoe ze moeten worden herkozen. Maar hij heeft ongelijk dat ze weten wat ze aan het doen zijn.

De bekende verklaring dat de kiezers ondankbaar zijn, is niet correct. De Nederlandse en Oostenrijkse kiezers zijn volstrekt rationeel. Als je een laag- of middelbaar-opgeleide werknemer bent, is de kans dat je door hervormingen in de sociale zekerheid op de korte termijn slechter af bent, groter dan de kans dan je op de lange termijn erop vooruit gaat. Op het Europese vasteland ken ik geen politicus die in staat is de kiezers een allesomvattende en heldere visie te bieden op economische welstand en veiligheid in de 21ste eeuw. Misschien zijn de verbazende beginsuccessen van mevrouw Royal toe te schrijven aan haar vermogen om politiek te vertalen naar het niveau van het individu.

Op het nationale niveau zijn de problemen groot, maar dat geldt evengoed voor het Europese. De Europese Commissie is zo onverstandig geweest om economische hervormingen de topprioriteit te geven in haar huidige vijfjaarstermijn. Zij zit nu met de Lissabonagenda, een hervormingsprogramma dat is bedoeld om het concurrentievermogen van Europa te vergroten.

Wat Europa in plaats daarvan nodig heeft, is hogere productiviteitsgroei en grotere werkgelegenheid. Xavier Debrun en Jean Pisani-Ferry van de Brusselse denktank Bruegel, hebben hierover een uitstekende beschouwing geschreven. Daarin zeggen ze dat de beste manier om die doelen te bereiken, een bundeling vormt van de ongelijke en soms wanhopige nationale en Europese hervormingsagenda’s in een logische coherente hervormingsstrategie, met duidelijke prioriteiten en instrumenten.

Omdat de meeste landen met moeilijkheden toevallig ook in de eurozone liggen, is het legitiem om te vragen of deze hervormingen gecoördineerd en op de juiste manier getimed kunnen worden.

De opstand onder Europese electoraten zal niet ophouden totdat Europese regeringen hun onzekere kiezers ervan kunnen overtuigen dat ze een duidelijke en werkbare strategie hebben voor de economische welvaart van hun landen. Ik vrees ook dat de poging om de Europese grondwet in welke vorm dan ook weer tot leven te wekken – hoe hard dat ook nodig is – hieronder zal lijden. we moeten eerst onze economische basisstrategie op orde hebben.

Wolfgang Munchau is commentator van de Financial Times.© Financial Times

Het Bruegel-rapport is te lezen via www.bruegel.org