Dat jij er zonder mij niet meer zou zijn

Het was een citaat van psychiater R.H. van den Hoofdakker, beter bekend als de dichter Rutger Kopland, dat ik iemand hoorde uitspreken. Ik weet niet precies waar het uitkwam, maar het ging ongeveer zo: „We leven bij verlangens. Verlangens betekenen dat de toekomst open is. Als de toekomst gesloten is zijn we depressief.”

Soms kan iets ineens een toelichting lijken bij je eigen gedachten. Die gedachten cirkelden al een poosje om de vraag waarom mensen die geen enkele moeite hebben met het algemeen aanvaarde wetenschappelijke wereldbeeld, toch behoefte hebben om in termen van ‘God’ te praten. Niet omdat ze geloven dat er ergens iets of iemand ‘bestaat’, in de betekenis die we daar gewoonlijk aan toekennen, die we God zouden moeten noemen. Dat doen ze niet. Maar desondanks gebruiken ze een taal waarin het zo lijkt alsof ze dat wél doen. Geloofstaal. Scheppende taal.

Een paar weken geleden stond in Trouw een stuk van een Zeeuwse dominee, Klaas Hendrikse, die zijn verhaal zo begon: „Onder theologen is het geen nieuws dat God niet bestaat. Zij zijn het er wel ongeveer over eens dat ‘bestaan’ niet op God van toepassing is.” Deze constatering was voor hem en voor de vakbroeders en -zusters over wie hij het had, geen reden om hun beroep op te geven. Dat kan een financiële reden hebben. Maar het was ook geen reden om het geloof op te geven. Dominee Hendrikse had het over een „gelovige levenshouding” en die kwam erop neer dat men durft in te zien „dat het leven geen eigen fabrikaat is, dat je jezelf niet hebt gemaakt noch de mensen van wie je houdt” en „dat je zonder verbondenheid [met andere mensen] niet kunt leven”.

Daar lijkt weinig tegenin te brengen, maar of je het religieus moet noemen is zo zeker nog niet, het lijkt een standpunt dat elke humanist zonder probleem zal onderschrijven. Er moet nog wat meer bij. Dat meer noemde de dominee ook: vertrouwen. Waarin of waarop? „Dat het leven, ondanks alles, goed bedoeld is.” „Wij zijn bedoeld er iets goeds van te maken.” Dat is wel geloofstaal. En het is precies daar dat Hendrikse de niet-gelovigen weer verliest,want die denken dan al snel aan de Bedoeler die hier achter moet zitten en dan heb je via een omweg toch gewoon God weer terug, zonder dat duidelijk is geworden waarom-ie eerst weggegoocheld moest worden. Of is het de taal die ons hier een loer draait?

In het geval van de Zeeuwse dominee weet ik dat niet zeker. Wie van bedoelingen spreekt, weet heus wel dat hij stiekem een nieuwe entiteit invoert. Dat geeft niet, maar het is wel goed om er even bij stil te staan.

Toevallig, of juist niet, was ik vorige week op bezoek bij deze dominee Hendrikse, om te praten over gedichten waarin God aangesproken wordt – door dichters die zelf niet in die God geloven en die dat erbij zeggen in hun gedichten. Dat is een opmerkelijke vorm, een gesprek met iemand die er niet is. Het is dan eerder een innerlijke monoloog, het gesprek wordt geheel en al door de spreker gevoerd die de tegenspreker zelf heeft ingevoerd. Wat niet wil zeggen dat de tegenspreker niet ook ervaren wordt – menigeen blijft nog lang met zijn doden praten en voelt dan de aanwezigheid van de overledene. Verbeelding, jazeker, maar het voelt als meer, alsof er soms een mogelijkheid bestaat om een grens over te gaan. Dan hoef je niet meteen te veronderstellen dat de doden nog ergens zijn, dat ze nog bestaan, maar ze zijn ook niet helemaal dood, weg, verdwenen, stof. Ze zijn nog aanspreekbaar. In taal, verlangen, concentratie kunnen ze opgeroepen worden. En tegelijkertijd weggewuifd. Rutger Kopland schrijft in zijn G.-cyclus – waarin ‘G.’ voor God staat – „ik wist nog niet dat jij er zonder mij niet / meer zou zijn, dat jij bestond door mij.”

Dat wist hij nog niet, maar op het moment van schrijven weet hij het wel, en dus kan hij G. ook weer te voorschijn halen en aanspreken. Leo Vroman richt zich in zijn psalmen tot ‘Systeem’, een uitdrukkelijk niet-persoonlijke ordening van het heelal, door ons niet te doorgronden maar wel te vermoeden en, dat geldt zeker voor Vroman, ook lief te hebben.

In Trouw van vorige week (fijne krant is dat toch) citeerde een andere dominee, de lutherse Marieke Brouwer, zo’n Vroman-gedicht. Ze zei heel terecht dat alles wat je aanspreekt, of het nu een systeem is, een kruiwagen of een God, vanzelf persoonlijk wordt. Dat doet de taal voor ons. Vroman kiest opzettelijk een niet-persoonlijk beeld, om niet weer in die wereld van mannen met baarden op wolken terecht te komen, en toch de lof te kunnen zingen van de wereld zoals die is, toch zijn angst en liefde en vragen te kunnen uiten. Niet op een wetenschappelijke manier. Vroman is ook wetenschapper, en in dat deel van zijn werk zingt hij niet over een Systeem waardoor hij omhelsd zou willen worden en dat hij op zijn beurt zou willen omhelzen. Allicht niet. Maar in zijn poëzie wel. Omdat hij daar een ander deel van zichzelf en een andere ervaring van de wereld een kans geeft.

Dat betekent geen geloof in een of ander bestaan. Het betekent eerder verlangen. Verlangen om iets anders te zeggen, in het geval van poëzie ook op een andere manier, door middel van een andere taal, dan we in de daagse omgang met de wereld doen. Verlangen om iets anders te ervaren, om een grens te doorbreken, om onszelf en de wereld in een ander licht, een ander perspectief te zetten. En, zoals gezegd, we leven bij verlangens. Het is niet onwetenschappelijk en gevaarlijk om naar God te verlangen, om hem aan te spreken, om dat troostrijk te vinden. Wel om te zeggen: hij bestaat zoals president Bush of de buurman. „Systeem! Is dit een tweegesprek/ of een met U alleen?/ Vertel mij dan wie ik ontdek/ als ik mijn armen tot U strek/ en om mijn schouders heen.”