Bodies

We stonden zaterdagmiddag met z’n allen niet helemaal schuldloos in de rij voor de Beurs van Berlage in Amsterdam. Terwijl we ons verheugden op de aanblik van het naakte, morsdode lichaam op de tentoonstelling Bodies, voerden leden van de spirituele Falun Gong-beweging actie.

Ze hadden naast onze rij een aantal emmertjes neergezet waaruit houten kruizen oprezen met het opschrift: „Een onbekende Chinees”. Er stond ook een met pluche beklede stoel achter een tafel. Op de tafel lag een gastenboek dat je kon tekenen. Op de enige zichtbare bladzijde had iemand met potlood geschreven dat de Amerikaanse organisatoren van Bodies „naïef en gewetenloos” waren en geen toestemming hadden voor het gebruik van de Chinese lichamen.

Om ons geweten bij voorbaat te sussen, lieten de organisatoren op borden weten dat deze tentoonstelling ons een nuttig inzicht verschafte in ons eigen lichaam en dat we er alleen maar gezonder van werden als we goed opletten. Daarna mochten we 22,50 euro per kaartje betalen om binnen te komen.

Hoe kwam ik er twee uur later weer uit? Gezonder? Dat staat nog te bezien. Blijer misschien? Niet écht. Ik was me vooral van elke spier, zenuw en ader bewust geworden en bovendien besefte ik, sterker dan tevoren, dat ik ook zelf ooit een morsdood mens zou zijn, vermoedelijk overleden aan een van de vreselijke kwalen die je op Bodies van nabij kunt zien.

Ik was nog maar net binnen of ik zag een lege lap huid in de vorm van een mens naast een grijs tumorklompje liggen. Het bleek, als ik het in de zenuwen goed heb opgeschreven, een ‘squameus celcarnicoom’ te zijn, iets waar blonde mensen met lichte ogen – ik dus – meer aanleg voor hebben dan anderen.

Gaat het nog een beetje, zei ik tegen mezelf, en ik vervolgde quasineuriënd mijn weg. Dit beloofde een onvergetelijke tentoonstelling te worden. Om me heen barstte een waar bombardement van anatomische informatie los. Op borden stond allerlei ingewikkelde, technische uitleg, voor de leek nauwelijks te vatten.

Zouden de talrijke bezoekers – mondiaal inmiddels al twintig miljoen – daarvoor gekomen zijn? Vast niet. Ze dromden vooral samen rond de mummies – mysterieuze, met zalmkleurige spieren en zenuwdraden beklede skeletten van mensen met Chinese gelaatstrekken. Ik heb nooit geweten dat Chinese mummies zó graag aan westers georiënteerde sporten doen. De een hield een honkbal onder zijn oksel, de ander zwaaide met een tennisracket en één mummie bedreef zelfs de dartsport – alleen het onontbeerlijke pilsje op de bar ontbrak nog.

Veel mummies bleken goedgehumeurd, ze grijnsden ons vanuit hun dodenrijk opgewekt toe, alsof ze ons wilden beduiden: „Het valt hier best mee, je kunt ook op je oudste dag nog genoeg aandacht krijgen.” Een mummie maakte zelfs een uitgelaten dansje met een skelet.

Ik keek er liever naar dan naar al die akelige, aangetaste organen in vitrines. Een aangeboren krop, een goedaardige tumor in de voorhoofdskwab, twee door sigarettenteer zwartgeblakerde longen, een milt met tuberculose, een door een beroerte donkergekleurde hersenlaag.

Het enige dat ik had willen meenemen, was een stukje galblaas met twee stenen – net noten. Leuk voor op het bijzettafeltje.

Maar voorlopig kan ik geen lijk meer zien.