Waar de klappen vallen

De lobby voor een verdrag tegen ondergrondse kernproeven stuit al dertig jaar op politieke weerstand. Het bijbehorende opsporingssysteem kwam er wel. Karel Knip

Op 9 oktober bracht Noord-Korea diep onder de grond een kernbom tot ontploffing. Sinds die dag maakt het land deel uit van het contingent staten dat openlijk of stilzwijgend kan dreigen met een kernaanval. Maar de Noord-Koreaanse proef is zo vreselijk mislukt dat het land eigenlijk het tegendeel heeft bereikt: het heeft aangetoond geen geloofwaardige kernmacht te zijn. De Koreaanse explosie was volgens experts een fizzle, nauwelijks meer dan een blindganger.

Nu staat het land te kijk als de treurige eigenaar van een ‘onbruikbare, onbetrouwbare kleine atoombom’. Een mislukte kernproef is erger dan helemaal geen kernproef. Daarom staat het volgens Amerikaanse commentatoren als Frank von Hippel (Princeton) en Jungmin Kang (Stanford) wel vast dat Noord-Korea binnenkort opnieuw een kernproef zal nemen.

Een zorgelijke ontwikkeling is dit, omdat het nemen van kernproeven naburige staten – in dit geval vooral Japan en Zuid-Korea – uitdaagt hetzelfde te gaan doen. Het testen van kernwapens verleidt tot een wapenwedloop. Die tussen Amerika en de Sovjet-Unie is het bekendst geworden, maar ook de ondergrondse ‘vreedzame’ kernproef van India, in 1974, gaf een enorme impuls aan het nog prille Pakistaanse nucleaire programma. In 1998 had een nieuwe Indiase proef eenzelfde effect.

Mede met het oog op deze reacties wordt nu al een halve eeuw geprobeerd alle proeven met kernwapens te verbieden en precies tien jaar geleden is een verdrag opgesteld dat dit expliciet voor zijn rekening neemt. Maar het is nooit van kracht geworden. Het totale kern-stopverdrag, de Comprehensive Test Ban Treaty (CTBT), treedt pas in werking als alle 44 landen die kernreactoren bezitten de tekst hebben geratificeerd en er ontbreken er nog tien. Daaronder Noord-Korea, Pakistan, India en last but not least: de VS. In 1999 wist president Clinton de senaat met geen stok tot acceptatie te krijgen. President Bush ziet er sowieso niets in.

En toch, en toch, lijken de doeleinden van het verdrag wonderlijk genoeg dankzij het verdrag binnen bereik te komen, ook zonder dat het in werking treedt. Want door de voorbereidingen van de CTBT is er nu wel een verificatie-systeem, waarmee ondergrondse kernproeven zoals die van Noord-Korea kunnen worden ontdekt en gelokaliseerd.

totaal verbod

De eerste pogingen om tot een totaal verbod op kernproeven te komen, stammen uit 1957. In die tijd waren kernproeven zonder uitzondering bovengronds. De Amerikanen waren er in 1945 mee begonnen, de Russen volgden in 1949 en de Engelsen in 1952. Nog afgezien van de dreiging die van de griezelige proeven uit ging drong snel het besef door dat zij een levensgevaarlijke hoeveelheid radioactiviteit in de atmosfeer brachten. In 1954 raakte een Japanse vissersboot zwaar besmet door fall-out van een Amerikaanse kernproef in de Stille Oceaan. In hetzelfde jaar werd het Japanse grondgebied zelf bereikt door fall-out van een Russische kernproef.

De roep om beëindiging van al deze atoomproeven werd luider en tot veler verrassing toonde de Sovjet-Unie zich in 1957 op een VN-conferentie in Londen bereid te stoppen met testen op voorwaarde dat de Amerikanen hetzelfde zouden doen. De Russen accepteerden zelfs inspecties binnen de landsgrenzen om zo twijfels over nakoming van de belofte weg te nemen.

1957 was het jaar waarin de Sovjet Unie als eerste land ter wereld een kunstmaan in een baan om de aarde bracht. Men was misschien in een winning mood. Maar 1957 was ook het jaar waarin de Amerikanen erin slaagden in de woestijn van Nevada diep onder de grond een kleine atoombom te laten ontploffen zonder dat daarbij een noemenswaardige hoeveelheid radioactiviteit ontsnapte. Een succes en toch geen succes want daarmee waren de problemen van verificatie en controle weer helemaal terug: voor de detectie van ondergrondse kernproeven was men bijna volledig op seismologische metingen aangewezen.

De Cubaanse raketten-crisis van 1962, die maar nét goed afliep, betekende een flinke stap terug. In 1963 werd een verdrag gesloten waarin alle kernproeven werden verboden, behalve die onder de grond: het partieel kern-stopverdrag (de Limited Test Ban Treaty). Het verdrag voorzag en voorziet niet in wederzijdse inspecties, de deelnemende staten houden elkaar vanaf het eigen grondgebied in de gaten.

Amerika en Rusland ratificeerden nog in 1963. Frankrijk en China zijn nog tot 1974 en 1980 doorgegaan met atmosferische proeven, daarna gingen ook zij ondergronds. Na 1980 is geen enkele bovengrondse atoomproef meer genomen. En ook de ‘ruimte’, op honderden kilometers boven het aardoppervlak (waar de Amerikanen in 1962 nog zware schade toebrachten aan de Van Allen-gordel) is als testgebied verlaten.

angst

Wat bleef was de angst dat de ‘milieuvriendelijke’ ondergrondse kernproeven nog steeds een rol spelen in de wapenwedloop tussen staten. Zij passen niet in het streven naar nucleaire ontwapening dat sinds 1970 min of meer wordt verwoord in het vermaarde Non Proliferatie Verdrag (NPV). Dat verdrag verplicht de klassieke vijf kernwapenstaten (Amerika, Rusland, Engeland, Frankrijk en China) tot geleidelijke ontwapening en geeft de niet-kernwapenstaten onbeperkte toegang tot nucleaire technologie voor kerncentrales en onderzoek, op voorwaarde dat ze geen kernwapen ontwikkelen of verspreiden.

Of een totale kernstop haalbaar was, hing af van de mogelijkheden om onderaardse kernproeven te detecteren. Het ontdekken van atmosferische kernproeven of proeven in de diepzee berustte niet alleen op seismografie. Ook luchtmonsters die door vliegtuigen werden verzameld gaven veel nuttige informatie. Hydrofoons en sensoren voor infrageluid (die de trillingen in water en lucht registeren) completeerden het beeld. Maar voor ‘detectie, identificatie en attributie’ (toewijzing) van ondergrondse kernproeven was er alleen de seismologische meting.

vinnige e-mails

In de aanloop naar het algehele kernstopverdrag CTBT is er echter hard gewerkt aan verbeterde detectie, maar daarna is het stil gebleven. Dat kan oud-ambassadeur Arend Meerburg niet goed verkroppen. Jarenlang onderhandelde hij in de Geneefse ontwapeningsconferentie over het kern-stopverdrag, nu bestookt hij de media met vinnige e-mails en achtergrondinformatie waarin hij om aandacht vraagt voor de impasse rond het verdrag.

De Nederlandse inbreng in de totstandkoming van het CTBT was en is opvallend groot. Naast Meerburg zelf is er de seismoloog Hein Haak die voorzitter is van de technische commissie die het controlesysteem voor het toezicht op de naleving opbouwt. En oud VN-ambassadeur Jaap Ramaker reist als speciale vertegenwoordiger van de CTBT de wereld rond om aarzelende landen over de drempel te helpen.

De achtergrondinformatie die Meerburg stuurde, beschrijft het ontstaan van de CTBT in een notendop. In de jaren zeventig, na het van kracht worden van het Non Proliferatie Verdrag, werd het verzet tegen de kernproeven snel groter. De niet-kernwapenstaten, die om zo te zeggen niet eens naar een bom mochten kijken, begrepen dat de proeven vooral tot doel hadden steeds betere en geraffineerde wapens te maken. Hun achterstand werd dus almaar groter. Zij drongen er in de Geneefse ontwapeningsconferentie steeds feller op aan de mogelijkheden van waterdicht seismisch toezicht op een totale kernstop te onderzoeken.

De doorbraak kwam toen het eind van de Sovjet-Unie naderde. Opeens zette president Gorbatsjov de Russische bezwaren tegen inspecties op Russisch grondgebied opzij. En in 1996 werd dus overeenstemming bereikt over de uiteindelijke tekst van de CTBT. Het is, zegt Meerburg, in veel opzichten een heel normaal internationaal verdrag. Er staat in wat je verwacht: dat de partijen zich verbinden geen kernproeven uit te voeren, deze niet toestaan op hun grondgebied en anderen niet zullen assisteren ter zake.

Een eigenaardige kant van het verdrag is dat het, afgezien van de ratificatie door die genoemde 44 staten, pas in werking kan treden als het verificatie-systeem voor ondergrondse kernproeven gereed is. Het moet in redelijkheid klaar zijn, staat er met zo veel worden, maar wat redelijkheid precies is wordt weer in het midden gelaten. “Misschien is de staat van redelijkheid volgend jaar bereikt”, zegt seismoloog Hein Haak op het KNMI optimistisch.

stofzuigers

Het International Monitoring System (IMS), zoals het verificatiesysteem heet, is voor tweederde gereed. Het bestaat uit vier wereldomspannende netwerken van registratie-apparatuur voor de detectie van álle soorten kernproeven: te land, ter zee en in de lucht. Een netwerk van seismografen, van hydrofoons, van microbarografen (de sensors voor infrageluid) en een van een soort stofzuigers die lucht door filters zuigen en zoeken naar radioactiviteit. Per netwerk zijn tientallen meetstations op strategische plaatsen op aarde ingericht en gebruiksgereed gemaakt. De waarnemingen worden geautomatiseerd doorgeseind naar het International Data Center (IDC) in Wenen waar ook de organisatie achter de CTBT is gehuisvest.

Dat IDC is inmiddels in vol bedrijf en voorziet de lidstaten dagelijks van een bulletin met een overzicht van vermeldenswaardige gebeurtenissen. Deze zijn overigens voornamelijk seismisch van aard. Het komt niet tot een finale interpretatie van de gebeurtenissen, het centrum doet niet aan ‘naming and blaming’, maar de goede verstaander heeft natuurlijk maar een half woord nodig. In feite neemt ook het IMS al een deel van het normatieve karakter van het verdrag voor zijn rekening.

Ook als het verdrag ten lange leste wel van kracht wordt, zullen verdachte staten zelf spontaan opening van zaken moeten geven, zo is dat in het verdrag bepaald. Maar blijft een adequate respons uit, dan kunnen afzonderlijke staten vragen om een plaatselijke inspectie. Gaat de uitvoerende raad van de verdrags-organisatie akkoord dan reist ‘binnen enkele dagen een team van experts af naar het land waar de verdachte gebeurtenis heeft plaats gevonden’, schrijft Meerburg. Het team mag niet geweigerd worden en het is van groot belang dat het zo snel mogelijk in het inspectiegebied arriveert. Dan zijn misschien nog sporen van een kernproef aan te tonen. Binnenkort zal een realistische oefening worden gehouden met zo’n inspectie.

Maar of het ooit allemaal echt zal worden? Het verzet van de Amerikaanse senaat in 1999 was misschien vooral tegen Clinton persoonlijk gericht, hoopt Meerburg. De National Academy of Sciences (NAS) heeft de voor- en nadelen van de CTBT in 2002 op een rij gezet in het leesbare boekje Technical issues related to the comprehensive nuclear test ban treaty (ook op internet). De NAS onderzocht drie vragen: zou het Amerikaanse kernwapenarsenaal te lijden hebben van het verdrag, is het IMS voldoende betrouwbaar en kunnen andere staten misbruik maken van de CTBT.

nieuwe wapens

Op alle vragen vond de NAS een geruststellend antwoord. Natuurlijk zal een CTBT de ontwikkeling van nog weer nieuwe Amerikaanse kernwapens bemoeilijken, noteert zij, want zonder tests blijft twijfel bestaan aan betrouwbaarheid, doelmatigheid en veiligheid van nieuwe wapens. Maar veel zwaarder weegt het voordeel dat beginnende clandestiene kernwapenstaten nooit de geweldige voorspong in know-how kunnen bereiken die de Amerikanen hebben.

Ook over de betrouwbaarheid van het International Monitoring System is de NAS optimistisch. Een stiekeme kernproef blijft misschien onopgemerkt als hij in een enorme onderaardse holle ruimte plaats vindt (dat dempt de energieoverdracht naar de bodem) of als men hem laat samenvallen met een gefingeerde mijnexplosie, maar de mogelijkheden daartoe lijken zeer beperkt. Het is hoopgevend dat het kleine kernproefje van Noord-Korea wereldwijd is waargenomen.

De NAS onthoudt zich van een conclusie en aanbeveling. Maar de wetenschapsorganisatie maakt tegelijk duidelijk dat ratificatie van de CTBT grote voordelen heeft. “Van belang is”, zegt Arend Meerburg in Den Haag, “dat de Amerikaanse ratificatie niet van de baan is. Het verdrag is teruggestuurd naar de Senaatscommissie voor buitenlandse betrekkingen en kan in principe elk moment opnieuw in stemming worden gebracht.”