Virtuele organisaties, holle mensen

‘Het lege centrum’, stond aanvankelijk boven dit stukje, maar toen bedacht ik dat het daarmee zou lijken op een misplaatst commentaar op de verkiezingsuitslagen. Het is natuurlijk wel opvallend dat het politieke centrum verzwakt is terwijl de buitenkanten aan kracht hebben gewonnen. Dat zie je op meer plekken tegenwoordig.

Mijn grootvader was boer, en hij vond dat een land dat niet in zijn eigen voedsel voorzag, geen toekomst had. Mijn vader zat in de bouw. Volgens hem moest een land in ieder geval zijn maakindustrie in stand houden, en hij treurde over de ondergang van RSV. Ik ben zelf opgegroeid in een diensteneconomie met een gemarginaliseerde agrarische sector en een verschrompelende nijverheid. Er is kennelijk veel waar we zonder kunnen, stel ik vast, maar één ding moeten we ten minste vasthou-den, en dat is onze kennisinfrastructuur. Als we al niets verbouwen of produceren, laten we dan in elk geval ervoor zorgen dat we de expertise in huis hebben om te ontwerpen en te specificeren wat we door anderen willen laten maken. Mijn vader en grootvader konden zich niet voorstellen dat zij ongelijk zouden krijgen. En ik? Ik kan me niet voorstellen dat ik het verkeerd zie.

„Ik heb wel eens precisieonderdelen in China laten maken”, zei Jan Aalberts, shortlist kandidaat voor de titel ‘topman van het jaar’, vorige week tijdens een bijeenkomst van de Nederlandse Participatie Maatschappij NPM. „Een jaar later kwam ik erachter dat ik mijn kennis had weggegeven en een concurrent in het zadel geholpen.” Uitbesteden is natuurlijk van alle tijden in een complexe economie. In de tijd van de VOC gleed er elke week een nieuwe Oost-Indiëvaarder van de scheepshellingen in Amsterdam. Dat was mogelijk dankzij een uitgebreid netwerk van onderaannemers, die compleet opgetuigde masten en op maat gemaakte dekdelen aanleverden. Een scheepswerf was, en is nog steeds, een assemblagebedrijf. De kern ervan was de werf zelf, en de scheepsbouwmeester en zijn organisatie. Zij beschikten over de bouwplannen, op papier of in het hoofd. Zij hadden de specificaties, wisten welke toeleverancier wat kon maken tegen welke prijs, en zij beheersten de goederen-stroom en de planning van hun complexe bouwplaats.

Uitbesteden neemt een steeds hogere vlucht, de afstanden nemen toe, en de vraag wat je als bedrijf door anderen kunt laten doen, schuift steeds verder op. Het begrip ‘kernactiviteiten’ vormde jarenlang een waterscheiding, een grens die bepaalde wat onvoorwaardelijk bij je hoorde en wat niet. De kern was heilig, daar moest je zelf voor zorgen. Als je die verwaarloosde of kwijtraakte, had je het wezenlijke verloren. Maar hoe ziet een moderne grote organisatie eruit? De ene scheepswerf van vroeger is vervangen door een veelheid van productielocaties, vaak op grote afstand en zonder eigen kennisinfrastructuur. Hoofdkantoren worden gehuurd van een beleggingsmaatschappij, auto’s en computers zijn geleased en medewerkers komen van een uitzend- of detacheringsbureau. Financiering komt uit Londen of New York, en strategie halen ze bij McKinsey of de Boston Consulting Group vandaan. Voor onderzoek en ontwikkeling worden toeleveranciers en universitaire instituten in de arm genomen, en zelfs voor innovatie kun je tegenwoordig slimme clubs in de arm nemen. Hoeveel kun je van een onderneming wegpellen voordat je niets meer overhoudt? En wie mag dat bepalen? Bestuurders vermoedelijk niet, want met een gemiddelde omloopsnelheid van een jaar of vier horen zij zelf niet tot de kern. Ondernemingen gaan zo ver in het outsourcen en offshoren dat ze virtueel worden. Je ziet ze wel maar ze zijn er niet.

Wat geldt voor bedrijven, gaat ook voor overheden op. Hoeveel taken kun je privatiseren en op afstand zetten en nog je legitimiteit handhaven? Het laatste belang in het vroegere staatsbedrijf der PTT is weg, de minister wil van Schiphol af, de veiligheid op straat is niet meer in handen van de politie, en het muntsysteem is uitbesteed aan Frankfurt. Nog is er heel wat over, maar hoe lang? Er is een grens, we weten niet precies waar die ligt maar we zijn hard bezig hem te verkennen. En hij mag niet gepasseerd worden, op straffe van verlies van onze economische en politieke zelfdefinitie.

Maar er is ook een nieuwe mens. Misschien zijn lege organisaties en lege overheden precies wat bij hem past. Want ook bij hem raakt het centrum geëvacueerd. Op straat loopt hij met dopjes in zijn oren waarmee hij muziek of telefoonchat in zijn hoofd laat gieten. Zijn seksleven heeft hij bij zijn webcam met een beeld in cyberspace, en als hij moet weten hoeveel kubieke centimeter er in een liter gaan, zoekt hij dat op bij Google. Een krantenkop over het nieuwste reality-televisieprogramma stelde vast dat de deelnemers zo te zien pas zichzelf werden als er een camera op hen gericht stond. Als dat zo is, wat is dat zelf dan? Kennelijk zit het niet meer van binnen maar komt het van buiten. De nieuwe mens is de holle mens. Voor mij is het een onvoorstelbaar schrikbeeld als dit de weg is van de toekomst – net zo onvoorstelbaar als een land zonder boeren voor mijn opa. Maar de boeren zijn weg, het land is er nog steeds en hij niet meer.

Het leeglopende centrum na de verkiezingen past in dit beeld. Het is treffend dat, binnen een nerveus vibrerend geheel, de winnaars aan de linker- en aan de rechterzijde, de Socialistische Partij en de ChristenUnie en de Partij voor de Vrijheid, juist wel een sterk besef van identiteit hebben. Zij weten waar ze voor staan en beschikken over een gemotiveerde kern van getrouwen. Uit het oogpunt van systeemdynamica is het een perfecte beschrijving van een systeem in chaos – verdwijnende samenhang in het geheel, met eilandjes van orde aan de rand. Als een systeem in die richting verder gaat, is het volgende stadium collaps, implosie, uitdoving. Mensen die geloven in een nieuwe hemel en een nieuwe aarde vinden dit misschien een mooi vooruitzicht. Zelf ben ik nog zo gehecht aan het oude spul. Dus laten we in vredesnaam voorzichtig zijn met onze kern.