Šešelj is de lastigste verdachte van tribunaal

Voor het Joegoslavië-tribunaal begint maandag het proces tegen dr. Vojislav Šešelj, enfant terrible van de Servische politiek en prediker van geweld. Of hij verschijnt is de vraag: hij is al twee weken in hongerstaking.

Wijlen Zoran Djindjic noemde hem ‘de Hitler van de Balkan’. Maar, zei de latere Servische premier tegen Die Zeit, het fascisme van Šešelj is „impotent” . „Toen Hitler de Sudeten heim ins Reich haalde, bedreigde hij de hele wereld. Als wij in Servië roepen dat we de Krajina van Kroatië willen, is dat alleen gevaarlijk voor onszelf.”

In 1984 hebben de internationale media het nog opgenomen voor Vojislav Šešelj. Hij was in Sarajevo opgepakt als auteur van een (nooit gepubliceerd) artikel waarin hij pleitte voor de schepping van een Groot-Servië. Het leverde hem bijna twee jaar gevangenisstraf op. Dankzij die internationale media en Amnesty International kwam hij vervroegd vrij. Later hebben Joegoslavische diplomaten geprobeerd zijn psychopathische trekken te verklaren uit de martelingen die Šešelj indertijd in de gevangenis onderging.

Vojislav Šešelj – in 1954 geboren als zoon van een spoorwegarbeider, opgeleid tot jurist, hoogleraar in Priština, auteur van ruim vijftig boeken – is een bebrilde reus met de gang van een gans en een enorme bierbuik. Hij is monarchist, anticommunist, antidemocraat, fascist, ultranationalist, prediker van geweld en bovenal populist. Hij is het enfant terrible van de Servische politiek, vriend van Jean-Marie Le Pen en Vladimir Zjirinovski. In 1990 richtte hij de Servische Radicale Partij (SRS) op. Die is nu Servië’s grootste partij en zal dat nog lang blijven. Hij is er nog steeds de voorzitter van: hij staat, al zit hij in een Haagse cel, nummer één op de kandidatenlijst van de SRS bij de parlementsverkiezingen van januari. Tijdens het bewind van Miloševic werkte Šešelj soms met, soms tegen hem. Hij kon Miloševic uitmaken voor „de rode tiran uit Dedinje” en Miloševic’ vrouw voor „de heks uit de Tolstojevastraat”. Maar hij werkte ook vanaf 1997 als vice-premier met het echtpaar samen.

Geweld is Šešeljs handelsmerk. „De mensen stellen geweld op prijs”, vindt hij. Hij leidde zijn eigen militie in Bosnië en Kroatië. „We zullen de Kroatische ustaši met roestige lepels de ogen uitsteken”, beloofde hij. Hij wilde napalm gooien op Zagreb en alle Kosovo-Albanezen verjagen. Hij ging regelmatig zelf op de vuist met collega-parlementariërs en journalisten, zwaaide graag met vuurwapens en sloeg eens drie aanvallers op rij tegen de grond.

In februari 2003 maakte het Joegoslavië-tribunaal de aanklacht tegen Vojislav Šešelj bekend. Negen dagen later meldde hij zich vrijwillig bij het hof. „Ik zal zegevierend terugkomen”, zei Šešelj voordat hij op de lijnvlucht stapte naar Schiphol. Hij zou „de waardigheid” verdedigen „van mijn tienduizend strijders die in de oorlogen dapper hebben gevochten.” Bijna was de reis niet doorgegaan, omdat Šešelj geen visum had. „Ik heb geen visum nodig voor Nederland, dat stinkland”, zei hij. Over zijn verdedigingstactiek: „Ik schiet ze aan flarden.”

Šešelj is aangeklaagd wegens oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid, gepleegd tussen augustus 1991 en september 1993, in Kroatië en Bosnië. „Vervolging, uitroeiing, moord, marteling, onmenselijke daden en gedwongen deportatie”, meldt de aanklacht. Bij zijn eerste voorgeleiding eiste hij dat de volledige aanklacht werd voorgelezen. Dat duurde bijna drie uur. Daarna zei Šešelj dat hij de tekst niet had begrepen en dat hij de vraag, of hij zich schuldig of niet-schuldig achtte, niet kon beantwoorden. In de vertaling van de aanklacht werden Kroatische woorden gebruikt die nauwelijks afwijken van de Servische – vóór het uiteenvallen van Joegoslavië was het Servo-Kroatisch één taal – maar waarvan Šešelj zei dat hij ze niet kende. „Ik spreek alleen Servisch.”

Šešelj wil zichzelf verdedigen, net als Slobodan Miloševic. „Er is niemand die namens mij in deze zaal het woord zal voeren.” Vanaf de eerste dag was duidelijk dat Šešelj de lastigste verdachte van het VN-hof zou worden. Een medewerker van de griffie: „Hij schept er genoegen in iedereen verbaal neer te maaien. Hij heeft geen enkel respect, niet voor de bewakers die hem zijn eten komen brengen, niet voor de arts die hem behandelt, niet voor de rechters.”

Tijdens de eerste zitting beklaagde hij zich over de kleding van de aanklagers en de rechter. „In mijn land zien mensen er in de rechtbank fatsoenlijk uit.” De toga’s deden hem denken aan de Inquisitie en dat was voor Šešelj „psychologisch onaanvaardbaar”. Hij zei ook dat hij was „gemarteld”. Hij had op zijn gang naar het tribunaal een kogelvrij vest van twintig kilo moeten dragen.

„Šešelj valt niet te verdedigen”, zegt de Nederlandse advocaat Tjarda van der Spoel, door het tribunaal als ‘stand-by’ advocaat aan Šešelj toegewezen. Die wilde niets met hem te maken hebben, „dus dat betekent dat hij je voor rot scheldt wanneer hij daarvoor de gelegenheid krijgt”. Šešelj doet alles om het proces te verstoren – zo diende hij tweehonderd moties in met klachten over eten, faciliteiten, procesgang. Inmiddels is de ‘stand by’ advocaat vervangen door twee toegewezen raadslieden.

Sinds 10 november is Šešelj in hongerstaking. Hij weigert ook om zijn medicijnen tegen hoge bloedruk, astma en een maagzweer in te nemen. Hij eist dat alle belemmeringen voor bezoeken van zijn echtgenote worden opgeheven, dat zijn adviseurs geregistreerd worden door het VN-hof en dat de toegewezen advocaten worden teruggetrokken.

Om tempo te maken in het proces zijn vijf onderdelen van de aanklacht geschrapt en is bepaald dat het proces doorgaat bij obstructie van de verdachte. Of Šešelj maandag komt opdagen is de vraag – deze week verscheen hij niet bij een voorbereidende zitting. Naar verluidt heeft hij door zijn hongerstaking achttien kilo gewicht verloren.

De SRS eist – uiteraard – de onmiddellijke vrijlating van Šešelj. Maar zijn terugkeer is tegelijk het grootste gevaar voor de SRS: die zou velen in Servië angst aanjagen. Het is dus voor iedereen het beste dat Šešelj in Den Haag blijft. Ook voor zijn partij, want terugkeer betekent verlies van aanhang en nu kan Šešelj nog als martelaar en symbool van Servië’s strijd tegen het boze buitenland worden gepresenteerd.