Pagina 1 van ‘Heersen’

De Achterpagina vroeg vijf auteurs van jongerenmagazine Spunk om de eerste pagina van een nieuwe roman te schrijven. Vandaag, in deel 4, Ebele Wybenga. Het boekomslag werd ontworpen door ATTI.

Hoofdstuk 1. De ongeboren vrucht

„Je moet doen alsof je er niets vanaf weet. Het is een rare tijd, het lijken allemaal ongelofelijke klootzakken, maar dat zijn ze eigenlijk niet, daar moet je wel aan denken. Ik stond twee keer op het punt er helemaal mee op te houden.” Meer voorkennis wilde hij me niet geven. „Goed dat je kamp hebt gedaan, dan zijn sommige dingen al vertrouwd voor je”, vertelde een ander kampvriendje tijdens het wervingsfeest. Hij deed waarschijnlijk die avond het minst schijnheilig. De andere leden waren verplicht leuk te zijn. Het feest speelde zich af in de bunker die ze sociëteit noemen en de krampachtige vrolijkheid kwam op me over als oorlogskoorts.

Op m’n zestiende ging ik met tegenzin voor het eerst op kamp. Het laatste treintje naar het gehucht in een mij onbekend deel van Nederland zat vol zelfingenomen kakkinderen met grote tassen. „Hier slapen jullie.” We lagen lepeltje lepeltje, zeventig zestienjarige jongens in een stal, scheten latend, stinkend uit onze monden. Ondanks het fysieke samenzijn eenzaam, na een fietstocht waarvan de bestemming niet verklapt werd door de leiding. Een paar vonden het niet spannend, die wisten hoe het werkte, hadden al ruime kampervaring en maakten daarom geen aanstalten kennis te maken met de nieuwelingen.

Ik had een doosje sigaren meegenomen. De eersten met wie ik kennismaakte waren de rokers en dat waren nou net de eikels. Mij vonden ze waarschijnlijk een rare knakker met m’n sigaren en mijn nette witte broek, die aan de achterkant al de sporen droeg van het drassige weiland waarin we bij aankomst een kring vormden.

Het krantenartikel over ontgroeningen van midden augustus wilde ik niet lezen. Vast geschreven door een haatdragende knor, dacht ik. Ik ben bang om bang gemaakt te worden. Van tevoren ga ik me niet laten opfokken. Mijn besluit staat vast. Het is een spel. Ze gaan tegen me schreeuwen maar persoonlijk is het niet. Moest nog denken aan die nachtelijke kampstunt waarbij het toontje van een botte Groningse student me niet beviel: „Nu allemaal de rivier in, ja alles uit, beetje rap.”

Mijn surprise-ei is kapot gedrukt. Twee dagen ben ik koortsig bezig geweest met het verzamelen van de spullen op de paklijst. Ik fiets naast mijn neef over de Rozengracht, met drie tassen vol nuttigheid en prullen, op zoek naar een avondwinkel. Hij zenuwachtiger dan ik, ik ben door mijn ouders een beetje gerustgesteld. „Je leert in één klap een heleboel mensen kennen”, zeiden ze toen ze me afzetten in Amsterdam, met een grote koffer en m’n fiets. Ik frutsel met mijn kettingslot, terwijl mijn zwaarbeladen fiets dreigt om te vallen. Als ze hier geen Kinder Surprise-ei verkopen, dan wordt ik straks uitgesloten van deelname.