Minder vrienden

Amerikaanse sociologen hebben vastgesteld dat in hun land het gemiddeld aantal vrienden dat mensen hebben tussen 1985 en 2004 met bijna een derde is afgenomen. Onder vrienden verstonden ze mensen met wie je dingen bespreekt die belangrijk voor jou zijn. Niet alleen is het aantal van zulke contacten afgenomen, ook bestaan ze steeds meer uit alleen de eigen gezinsleden, vooral de eigen partner. Kort gezegd: het sociale isolement van gezinnen is sterk toegenomen. Voor de V.S. was dit ook al eerder vastgesteld. Het is terecht dat de wetenschapsbijlage van 18 november daar aandacht aan besteedde en de vraag aan de orde stelde of zich in ons land ook een afname heeft voorgedaan. Ellen de Bruin ging daarvoor te rade bij enkele Nederlandse sociologen. Hun commentaar is opmerkelijk en verdient een aanvullende reactie.

Er zijn twee aanwijzingen voor het vermoeden dat ook van Nederlanders het aantal vriendschappen is afgenomen. De eerste is dat Nederlanders sinds 1975 bijna twintig procent minder tijd zijn gaan besteden aan bij elkaar op bezoek gaan. Kenmerkend voor vriendschappen is dat je bij elkaar over de vloer komt en dat zijn we dus minder gaan doen. De tweede aanwijzing is dat de vermoedelijke oorzaken in de V.S. (toename van betaald werk en woon-werkafstanden) zich ook in Nederland hebben afgespeeld. Die oorzaken hebben een economische achtergrond, namelijk die van de toegenomen plaats van de markt in ons leven, in de vorm van schaalvergroting, concentratie, geld, status en carrière. Onbelemmerde economische groei heeft op sociaal vlak nu eenmaal negatieve bijwerkingen. Tegenover deze aanwijzingen staan er geen die erop wijzen dat het aantal vriendschappen gelijk is gebleven (of toegenomen).

Toch enige reden voor serieuze aandacht en zorg, zou je denken, zeker van sociologen. Maar volgens de collega`s die aan het woord komen, moeten we ons hier niet druk over maken. Het zal wel meevallen, zeggen ze, maar een onderbouwing voor dat optimisme ontbreekt. En als het niet meevalt, is het ook niet zo erg, want mensen kunnen ook heel goed met minder vrienden toe. Maar dat laatste klopt helemaal niet. Er is een schat aan onderzoek waaruit blijkt dat mensen een netwerk van mensen nodig hebben die er voor elkaar zijn”, om gezond te blijven, om voldoende sociale controle te ervaren en om als kind sociaal-emotioneel en moreel goed te socialiseren. De Amerikaanse hoogleraar en cardioloog Dean Ornish verklaarde dat als zulk een sociaal netwerk in de vorm van een medicijn kon worden verstrekt, een arts medisch onjuist zou handelen als hij het niet zou voorschrijven.

Hoe komt het nu dat sociologen hier zo luchthartig over doen, zonder dat ze daar goede wetenschappelijke gronden voor hebben? Een mogelijk antwoord ligt besloten in de verzuchting van één van hen dat mensen in de loop van de geschiedenis al zo vaak gezegd hebben dat vriendschappen afnemen. Dat is symptomatisch voor het vak sociologie. Als gewone mensen het zeggen, dan kan het al niet waar zijn. Sociologen willen nog steeds zo graag wetenschappelijk serieus worden genomen, dat ze er alles aan doen om dingen te zeggen die weerleggen wat gewone mensen denken. Elk onderzoek dat er op wijst dat er een grond van waarheid zit in wat gewone mensen denken, is alleen al daarom verdacht. Dat is jammer, want onze maatschappij heeft veel onbevangen sociologen nodig om tegenwicht te bieden tegen de te overheersende invloed van de economen op ons maatschappelijke en politieke denken.