‘Je kan de pijn met je hele lichaam voelen’

Op Curaçao wordt dit weekend de tentoonstelling ‘Erfenis van de Slavernij’ afgesloten. Bezoekers zijn zowel beschaamd als boos.

Behoedzaam schuifelen ze over de warme plavuizen van landhuis Santa Martha. Een tiental oudere dames op weg naar de expositie De Erfenis van de Slavernij. De tentoonstelling, in 2004 al te zien in het Wereldmuseum Rotterdam, vindt op Curaçao plaats in de opslagruimtes van een zeventiende-eeuwse plantage; het hart van het Curaçaose slavernijverleden.

De Erfenis van de Slavernij, ofwel Herensia di Sklabitut, is opgezet door Felix de Rooy, een op de Antillen uit Surinaamse ouders geboren film- en theatermaker. De expositie wordt gekenmerkt door veelvuldig gebruik van audiovisueel materiaal; bezoekers voelen zich voor de monitoren, alleen met de koptelefoon op, persoonlijk aangesproken door de vermenselijkte versie van de duistere periode uit het koloniale verleden.

Het is stil in de opslagruimtes, ofwel magazinas. Gelaten laten de bejaarden afbeeldingen van zwarte duivels of nobele wilden op de gevels van Amsterdamse grachtenpanden over zich heenkomen. „Nu zie je wat er allemaal gebeurd is”, zegt Theresita Jansen. „Ik heb hierover wel wat op school geleerd, maar hier zie je het echt, kan je het met je hele lichaam voelen.”

Volgens de 69-jarige Flora Calmes is het slavernijverleden nog steeds van invloed op het Curaçaose bestaan. Calmes: „Je merkt het aan het geweld in de wijken. En aan ons zelfbeeld; kroeshaar heet hier malu kabei (slecht haar), terwijl we stijl haar bon kabei (goed haar) noemen. Dat is natuurlijk onzin, maar toch denken we zo.”

Uit het gastenboek blijkt dat niet iedereen de tentoonstelling berustend aanschouwt. „Je wordt er boos van”, schrijft een bezoeker in het Papiaments, „en krijgt zin om een blanke uit elkaar te rijten. Wij Curaçaoënaars moeten dit komen zien en ophouden ons als apen te gedragen tegenover de makambas (Europese Nederlanders).”

Het slavernijverleden en de daaruit voortvloeiende pijn en schaamte zijn, meer dan de woede, op Curaçao gevoelige onderwerpen. Valika Smeulders, promovendus aan de Erasmus Universiteit, doet onderzoek naar de beleving van het transatlantische slavernijverleden. Op Curaçao keek ze naar de ontvangst van De Erfenis van de Slavernij door de lokale bevolking.

„Er zijn mensen die huilen”, zegt Smeulders. „Die vier of vijf keer terugkomen en voor iedere video gaan zitten. De tentoonstelling voorziet in de behoefte om de emotie tot uiting te laten komen. Het is heel rauw: boosheid, verdriet, schrik. Mensen vragen zich af: was het echt zo erg?”

Door de laagdrempeligheid trekt de expositie publiek dat normaal niet in musea komt. Sinds de opening op 1 juli, de dag waarop de slavernij in 1863 door Nederland werd afgeschaft, trok de tentoonstelling op Curaçao circa 10.000 bezoekers. Het organiserende Nationaal Archeologisch Antropologische Museum (NAAM) is niet ontevreden, maar zit wel met een financiële strop.

„De helft van de 10.000 bezoekers”, zegt NAAM-directeur Ieteke Witteveen, „bestaat uit scholieren. Zij mochten gratis naar binnen als de scholen zelf voor vervoer zorgden.” NAAM moet het verschil nu bijleggen. „De scholen waren voor ons wel de hoofddoelgroep”, zegt Witteveen.

Niet alle Curaçaose scholen zijn gekomen. De 115 leerlingen van het Maria Immaculata Lyceum, dé HAVO/VWO-school voor zwarte Curaçaoënaars uit achterstandswijken laten het afweten, wegens gebrek aan vervoer. „De scholen zijn gekomen”, zegt promovendus Smeulders, „maar vooral die het konden betalen, qua vervoer.”

De hoop is dat bewustwording op de armere scholen op gang komt via het speciaal voor de expositie ontwikkelde spel. Smeulders: „Het moet een geschiedenis worden zoals andere. Maar deze rouwperiode duurt misschien nog twintig jaar.”