Jan Peter Balkenende is vooral een teamspeler vooral een teamspeler Teamspeler Balkenende

Qua ervaring en gezag is hij dan wel geen Lubbers of Kok, maar een betrouwbare werker en teamleider is hij wel. En in het buitenland wordt hij ook bepaald niet weggelachen. Dat zagen de kiezers. Zij stemden op hem.

Henk te Velde

Hoogleraar vaderlandse geschiedenis aan de Universiteit Leiden en auteur van ‘Stijlen van Leiderschap. Personen en politiek van Thorbecke tot Den Uyl’ (2002).

Het momentum van een verkiezingscampagne is niet gemakkelijk te begrijpen. Gaan de peilingen naar beneden omdat een lijsttrekker fouten maakt, of gaat een lijsttrekker fouten maken omdat de peilingen naar beneden gaan?

Het is als spreken voor een grote groep. Soms gaat dat stroef, kom je niet uit je woorden en veranderen volzinnen in gestotter. Met veel moeite lukt het dan door een grapje of door nieuwe energie alsnog de zaal te bereiken. Maar het gebeurt ook dat je als spreker de zaal meteen te pakken hebt. Dan kan er bijna niets misgaan en verbaas je je over je eigen improvisatievermogen.

In een verkiezingstijd waarin lijsttrekkers ad rem moeten zijn, terwijl ze veel te kort hebben geslapen, is het cruciaal het gevoel te hebben de ontwikkelingen te beheersen en niet daardoor beheerst te worden. Toen Marco Pastors al wist dat het niet veel meer zou worden, lanceerde hij in de hoop op publiciteit een raar verkiezingsspotje. Bij het daaropvolgende interview was hij zichtbaar zo vermoeid dat hij niet uit zijn woorden kwam. Dat kwam niet meer goed. Aan de andere kant kostte het de afgelopen maand Marijnissen en Balkenende niet veel moeite ontspannen campagne te voeren. Vanaf het begin gingen de peilingen omhoog en daarna liep alles mee.

Er is echter wel een verschil tussen de al twintig jaar gestaag groeiende SP en het CDA dat de afgelopen maanden in de peilingen als een raket omhoog schoot. Waaraan is dat plotselinge succes toe te schrijven? Hoe is het mogelijk dat een lijsttrekker die volgens velen tot voor kort niet veel goed kon doen, nu opeens een stemmentrekker is? Natuurlijk, de economie is aangetrokken en dat was vast een noodzakelijke voorwaarde voor Balkenendes succes, maar was het een voldoende voorwaarde? Blijkbaar niet, anders had de andere regeringspartij het bij de stembus wel beter gedaan.

Balkenende is echter een zittende premier en die werd de afgelopen decennia vrijwel altijd beloond met zetelwinst: Kok in 1998, Lubbers in 1986, Den Uyl in 1977. En 2002 ligt ons nog vers in het geheugen, maar dat waren verkiezingen na de tweede termijn toen de premier niet herkiesbaar was, zoals Lubbers in 1994 ook op weg was naar de uitgang. Er is in het recente verleden slechts de uitzondering van Van Agt (1981, één zetel verlies), toen het economisch slecht ging, het CDA verdeeld was en de premier omstreden. Waren de economische cijfers anders geweest, dan had het voor Balkenende veel dramatischer kunnen aflopen.

Nu lijkt de uitslag op die van 1981: licht verlies voor het CDA, maar veel meer verlies voor de PvdA, zodat het CDA de grootste partij werd, met zulke grote tegenstellingen tussen beide partijen dat regeren net als in 1981-1982 niet gemakkelijk zal worden. Bij de huidige stand van de economie behoeft juist verlies van de premier een verklaring. Die verklaring zouden velen bereid zijn te leveren. Want hoe kon een premier die zo matig functioneerde, dat hij zich in het begin door een collega moest laten souffleren, ruzie maakte met het Koninklijk Huis (van Drees tot Den Uyl en Lubbers steun en toeverlaat van goede premiers) en nog op het einde met een verspreking de val van zijn kabinet inluidde, ooit de verkiezingen winnen? Dat hij dat in 2002 en 2003 had gedaan, moest wel op het conto worden geschreven van de verwarrende tijd waarin alternatieven hadden ontbroken. En toch is zijn partij nu verreweg de grootste. Hadden de opiniemakers zich dan zo op hem verkeken, beschikte hij dan toch over kwaliteiten die niemand had gezien?

In een bijdrage aan het WBS-jaarboek ‘Vier jaar Balkenende’ heeft de Amsterdamse hoogleraar mediastudies Liesbeth van Zoonen betoogd dat deels juist Balkenendes onhandigheid en gewoonheid zijn succes verklaren, omdat ze kunnen worden uitgelegd als betrouwbaarheid en degelijkheid.

Daarmee komen we bij de kwestie welke kwaliteiten we in Nederland van een premier vragen. Er zijn in het verleden meer voorbeelden geweest van premiers die van hun zwakheid een kracht wisten te maken. Een korte terugblik op hun ervaringen uit het verleden helpt misschien om de positie van Balkenende nu beter te begrijpen.

Van Agt (1977-1981) maakte weliswaar zijn fouten vooral als minister van Justitie, niet als eerste minister, maar hij kreeg minstens zo veel kritiek als Balkenende. Toch was hij bij zijn achterban populair – anders dan Balkenende overigens vooral omdat hij politiek relativeerde en wat pesterig de indruk wekte dat hij fietsen belangrijker vond dan debatteren.

Balkenende heeft ook iets van De Quay (1959-1963), die zich aanvankelijk goede raad moest laten influisteren door staatssecretaris Norbert Schmelzer en populair werd als onhandige politicus en beminnelijke teamleider. En hij heeft ook iets van de rustige en onopvallende Piet de Jong (1967-1971) die er na vier jaar echt zin in had en populair was, maar door de KVP als lijsttrekker werd afgedankt. Het is nu ondenkbaar geworden, maar bij de katholieken was toen de fractieleider belangrijker dan de premier.

Premiers zijn in Nederland dus niet altijd dominante figuren geweest. Er is bovendien een lange traditie van bagatellisering van het ambt. Dat blijkt zelfs uit het voorbeeld van Willem Drees, die geldt als de modelpremier van de twintigste eeuw, maar volhield dat hij liever minister van Sociale Zaken was gebleven, want dan kon je tenminste iets praktisch tot stand brengen. De premier, die coördineerde immers maar wat en was vooral voorzitter van de ministerraad.

Drees was een rustige man die niet op de voorgrond hoefde te staan, maar zijn houding was ook politiek handig, want zo kon hij veel gedaan krijgen zonder weerstand op te roepen. Zelfs Ruud Lubbers, die het ambt van premier uitbouwde en voor het eerst na de oorlog het ambt als zodanig in de schijnwerpers stelde, bleef wars van uiterlijk vertoon en profileerde zich als zakelijk bestuurder zonder presidentiële allures. Voor de representatie was er de koningin.

Lang was het bovendien gebruikelijk en ook de bedoeling dat de premier in spe geen ambitie had het ambt te bekleden. Piet de Jong bijvoorbeeld zegt geen ambitie te hebben gehad om premier te worden. De Jongs ambitie om door te gaan was een signaal dat omstreeks 1970 veel begon te veranderen. Pas daarna werd het vanzelfsprekend dat een zittende premier lijsttrekker werd bij de verkiezingen. Die verandering in de positie van de premier werkt tot vandaag door en de ontwikkeling ervan is leerzaam.

Onder De Jong werd het gewoon dat de premier meer dan zijn collega’s op televisie verscheen en echt het gezicht van het kabinet werd – hij voerde de wekelijkse persconferentie na afloop van de ministerraad in, omdat hij geen zin had om de hele vrijdagavond telefonisch door journalisten te worden lastiggevallen. Geleidelijk aan kreeg de premier ook een zo grote rol als coördinator van het regeringsbeleid dat zijn positie als vanzelf meer werd dan eerste onder zijns gelijken. Bovendien vroeg het overleg in Europees verband in toenemende mate om een rol van ‘regeringsleiders’ en werd het moeilijker om, zoals De Quay, minister van Buitenlandse Zaken Luns het woord te laten doen.

In de jaren zestig buitten de onopvallende katholieke premiers deze structurele veranderingen niet uit. Dat veranderde toen Den Uyl het premierschap werkelijk als de hoofdprijs zag in een poging de Nederlandse politiek te veranderen. Hij wilde als premier zichtbaar blijven als partijleider, maar zijn politisering van het ambt heeft geen navolging gevonden. Zijn erfenis was eerder een verdere versterking van het belang van het ambt als de centrale politieke functie.

Lubbers en daarna Kok profileerden zich als bestuurders voor wie de functie van minister-president inderdaad de hoofdprijs was – zij zouden nooit als Drees liever gewoon minister zijn gebleven. De paradoxale conclusie was dat de premier de centrale politicus was geworden en bij de verkiezingen na zijn eerste termijn als vanzelf de grootste stemmentrekker, maar tegelijk een weinig flamboyante presentatie en een laag partijpolitiek profiel kende. Het ‘karwei’ van Lubbers was in 1986 nog nauwelijks te herkennen als een CDA-project, in het paarse kabinet van Kok hadden ook velen moeite nog het typisch sociaal-democratische te ontdekken. Maar gezaghebbende bestuurders waren Lubbers en Kok wel en zij hadden een nieuwe norm neergezet voor het ambt van minister-president.

Na de opwinding van 2002 kon er niet een nieuwe Kok optreden, maar als vanzelf werden aan de opvolger van Lubbers en Kok wel dezelfde professionele eisen gesteld. Daaraan kon Balkenende, die geen bestuurlijke ervaring had, niet voldoen.

Het premierschap is geen stageplaats, heeft oud-politicus Willem Aantjes opgemerkt, maar zo heeft Balkenende het noodgedwongen wel gebruikt. Verder leek hij aanvankelijk de normen en waarden tot de ideologische kern van zijn premierschap te willen maken en dus een partijpremier te worden die zou doen denken aan Den Uyl. Inmiddels heeft hij de mogelijkheden en beperkingen van het premierschap leren kennen. Balkenende heeft van de normen en waarden geen echt CDA-verkiezingsthema gemaakt. Het gaat goed in Nederland, zei hij, laten we blij zijn met elkaar, en de debatten gingen vooral over financieel-economische kwesties.

Hij was de premier van de herstructurering zoals Lubbers dat in 1986 was. En evenals in het geval van Lubbers is het controversiële van zijn positie niet gelegen in het CDA-karakter ervan, maar in het gemeenschappelijke VVD-CDA-project van bezuiniging en herstructurering. Van Lubbers heeft Balkenende kunnen leren dat een premier van een coalitiekabinet aan gezag wint wanneer hij zich kan presenteren als de verpersoonlijking van een gemeenschappelijk project. Bij samenwerking met de VVD betekent dat nogal eens een liberale economische politiek, waarvoor de CDA-premier de eventuele credits krijgt.

Na de grote veranderingen in het premierschap van de laatste decennia leek de tijd van de onopvallende kabinetsvoorzitters voorbij. De premier was de belangrijkste politicus en het nu veel meer geprofileerde ambt eiste toch een dominerende persoonlijkheid, iemand met de ervaring en het gezag van een Lubbers of Kok. Maar Balkenende bewijst dat tegenwoordig ook een ‘teamleider’ bij de verkiezingen de premierbonus kan opstrijken. Daaraan heeft de opvallend zelfverzekerde en consequent uitgevoerde CDA-campagne bijgedragen.

Die campagne presenteerde de premier meer als instituut en als verpersoonlijking van rust en betrouwbaarheid dan als een inspirerende leider met een project. Hij was een gewone man die gewoon zijn werk deed. Zo verdwenen de zwakke kanten van Balkenende naar de achtergrond.

Qua ervaring en gezag was hij dan wel geen Lubbers of Kok. Maar een betrouwbare werker en teamleider was hij wel. Als regeringsleider kon hij vanaf het begin bij zijn collega’s in de Europese Unie al op enige waardering rekenen. In Nederland willen we graag dat de premier ook in het buitenland veel indruk maakt, maar in het buitenland verwacht men van de premier van een betrekkelijk klein land vooral dat hij een teamspeler is. Binnenslands heeft Balkenende bij zijn coördinerende taken nogal wat steken laten vallen, maar dat beleeft de kiezer blijkbaar toch als technische mankementen die niet zwaar tellen, zolang de economie maar goed gaat en hij dus een succesverhaal kan vertellen. Zijn mediapresentatie tenslotte is beter dan in het begin en in de verkiezingscampagne heeft Balkenendes grammaticale voorkeur voor een beperkt aantal formules ook zo zijn voordelen; iedereen spreekt dan immers in zinnen die op elkaar beginnen te lijken.

Het CDA heeft zich met Balkenende goed gehandhaafd door hem als doorsnee premier neer te zetten. Maar de partij heeft wel verloren – en meer dan één zetel. Zo is de parallel met Van Agt in 1981 veel duidelijker dan die met Lubbers in 1986. Balkenende heeft bovendien zijn Agtiaanse ethisch reveil.

Op dat punt is de verkiezingsuitslag interessant. Als ik het goed heb begrepen, beschouwden de kiezers normen en waarden als onderwerp nummer één. Als dat zo is, dan vertrouwen ze dat blijkbaar niet meer alleen aan Balkenende toe, want die heeft verloren. De twee andere partijen die het veel over het onderwerp hadden, hebben beide gewonnen: de ChristenUnie en de SP. Het is alsof de kiezer het CDA heeft willen steunen in haar negatieve campagnegedachte (‘Bos niet in het torentje’), maar haar positieve gedachte te flets vond. Die kon beter worden toevertrouwd aan de ChristenUnie – niet vanwege haar ethische standpunten maar om haar christelijk-sociale verhaal – en aan de SP, vanwege de maatschappelijke inbedding van normen en waarden. Alle partijen die op de een of andere manier (sociaal)liberaal zijn, hebben het moeilijk gehad bij deze verkiezingen en de kiezer lijkt te zeggen: komt er in de sociale praktijk nog wat van die normen en waarden, of was het alleen maar gemoraliseer in woorden?

De CDA-campagne heeft Balkenende neergezet als de kampioen van rust, orde en financieel herstel. Welke plaats hebben de normen en waarden daarin nu eigenlijk? Tegeltjeswijsheden heeft Gerrit Zalm ze ooit genoemd, en dat zijn het in ieder geval; ik ken wel iemand die er een paar van aan de wand heeft hangen. De kiezer heeft Balkenende uitgenodigd met een andere coalitie duidelijk te maken dat normen en waarden ook de basis van sociale politiek kunnen zijn.