‘Ik heb een band met ze, zij niet met mij’

Het is sensationeel. Het is spectaculair. Het is een kick. Maar Reinier de Vries hangt het liever niet aan de grote klok. Voor je het weet, krijg je allerlei volk aan de deur dat uit is op iets spannends. Hij gaat dan ook selectief te werk: maximaal zes personen kunnen mee met een ‘middagje op stap’, mensen die werkelijk geïnteresseerd zijn in roofvogels. Hun enthousiasme te veel stimuleren wil hij echter evenmin: de plotselinge vraag naar sneeuwuilen onder Harry Potterfans heeft geleerd hoe lichtvaardig men zelf gaat experimenteren met vogels.

Reinier de Vries (54) kan het moeilijk verklaren, maar feit is dat de valkerij de laatste jaren zeer in trek is. Eeuwenlang was de valkenjacht een geliefd tijdverdrijf van de adel, totdat het in de negentiende eeuw in onbruik raakte waarna de jacht nauwelijks nog werd beoefend. Tegenwoordig zijn valkeniers als hij graag geziene gasten tijdens landdagen en fairs waar ze roofvogeldemonstraties geven en het publiek kennis laten maken met het vak. Van de tweehonderd erkende valkeniers in Nederland kan echter slechts een enkeling die kiest voor een commerciële opzet ervan leven. Voor De Vries is het werken met zijn negen vogels, die zijn ondergebracht in de ruime achtertuin van zijn boerderij in het Gelderse Loenen, een hobby. Maar tegelijk, zegt hij ook, is de valkerij een manier van leven waar je aan verslingerd raakt, een passie die geen ruimte voor vakantie laat en veel ervaring en kennis van zaken vereist.

„Ik had altijd al een tik met vogels. We hadden vroeger een huis met een gebroken kap waar zwaluwen en spreeuwen nestelden. De jongen die er onder vandaan vielen, bracht ik groot en liet ik weer los. Ik had een kauwtje dat ’s morgens op me zat te wachten als ik opstond en om half twaalf naar school vloog om mij op te halen. Maar op een gegeven moment – waarschijnlijk toen hij geslachtsrijp was – is hij verdwenen. Ik heb me nog lang afgevraagd als ik kauwen hoorde of mijne erbij was.

„Toen ik acht, negen jaar geleden voor het eerst een valkenier bezig zag, dacht ik: ‘wat prachtig, dit is iets voor mij.’ Toch ben ik er niet direct mee begonnen omdat ik moeite had met al die vogels die de hele dag aan een touwtje op een blok zaten. Toen ik de valkenier vertelde wat mijn bezwaar was, zei ze: ‘dan heb je het verhaal niet begrepen.’ Een roofvogel jaagt één keer per dag, desnoods tien keer, maar zodra hij een prooi ‘slaat’ en gegeten heeft, is hij klaar en zal hij zijn energie niet verbruiken om zomaar te vliegen. Pas als hij zijn voedsel verteerd heeft, komt hij opnieuw in actie. Het is hetzelfde als met een cheetah: zie je die weleens honderdtwintig kilometer per uur in de woestijn rennen omdat hij het leuk vindt? Dat doet hij alleen als hij een prooi wil vangen, de rest van de dag onderneemt hij niets.

„Voordat ik vogels kon gaan trainen, heb ik drie jaar stage gelopen bij een mentor. Tegenwoordig kun je in twee jaar een valkeniersakte halen. Je hebt ook een jachtakte nodig, want een slechtvalk of havik staat gelijk aan een jachtmiddel. Ik ben mee geweest met jachtdagen: we jaagden met een havik in het havengebied bij Europoort waar veel wild is. Ik heb zelf geen havik, maar wel saker- en slechtvalken. Ik koop ze bij verschillende kwekers in Europa. Gekweekte vogels zijn net zo wild als hun soortgenoten in de natuur omdat ze bij hun ouders opgroeien in afgesloten roofvogelvolières van acht bij acht meter zonder dat ze de eerste tijd mensen zien.’’

Een van de dieren waar hij mee begon is Sultan, evenals Emir een Amerikaanse woestijnbuizerd, oftewel harris hawk. Om de twee forse arendachtige vogels „met de vliegcapaciteit van een havik en sneller dan een Europese buizerd” in conditie te houden, laat hij ze dagelijks los in een rustig natuurgebied. Daar kennen ze het ‘spelletje’: vliegend van boom naar boom volgen ze de valkenier op zijn vaste route door het bos. De roofvogels, „die acht keer beter kunnen zien dan wij’’, houden hem vanuit de hoogte scherp in het oog. Zodra hij een pootje van een eendagskuiken uit zijn jaszak haalt komen ze, majestueus en trefzeker manoeuvrerend, tussen de stammen naar beneden gezeild en landen op zijn gehandschoende vuist. De oranje poten klauwen zich in een ijzeren greep vast in het leer, terwijl de gespreide vleugels zich als een bruine mantel om de prooi vouwen. Even later vliegen ze op en verdwijnen tussen het groen, alleen dankzij de helder rinkelende belletjes om hun poten is vast te stellen waar ze zich bevinden.

„Dat is toch fantastisch hè, zo wendbaar als ze zijn. De Nederlandse buizerd is daar niet op gebouwd. Die zie je vaak langs de kant van de weg zitten omdat hij voor negentig procent een aaseter is, daarnaast eet hij ook klein of jong wild. Sultan, de grootste van de twee, kan een haas slaan en Emir een konijn. Ze knijpen hun prooi dood met hun poten. Die poten zijn ontzettend sterk. Ze kunnen zonder probleem door je handschoen heen knijpen. Ze hebben mij al diverse malen gegrepen, in die gevallen deed ik zelf iets fout. Ze hebben een statige uitstraling die respect afdwingt. Hun houding maakt duidelijk: ik wil met je werken mits je mij fatsoenlijk behandelt.

„De harris hawk is de enige soort die in groepen jaagt. Alle andere vogels zijn solitair. National Geographic heeft een film over ze gemaakt en daarin heten ze de ‘wolves of the air’, je ziet hoe ze samenwerken als ze een prooi opjagen. Ik jaag niet met ze omdat het risico dat ze tijdens een demonstratie wegvliegen te groot is. Desondanks is Sultan er eens bij zo’n gelegenheid vandoor gegaan toen ze een konijn zag, maar ik had haar vrij snel te pakken. Veel moeilijker was het toen ze een keer in het bos achter een konijn aanging. Ze heeft hem opgegeten en vervolgens bleef ze drie dagen in een boom zitten. Ik heb daar moeten wachten tot ze genoeg trek had om eruit te komen.

‘Ik weeg ze iedere dag. Als ze te hoog in gewicht zijn kun je niet met ze vliegen. Ze moeten trek hebben. Dat ze naar je toe komen is puur uit interesse in voedsel, niet vanwege mijn blauwe ogen. Ik heb een emotionele band met hen maar zij niet met mij. Het fascinerende is: je hebt een roofdier getraind maar hij is niet tam. Je kunt hem niet als een hond aan de lijn in het bos uitlaten. Je laat hem los en als het goed gaat, komt hij bij je terug, maar dat weet je nooit zeker. Het blijft een risico, net als bergbeklimmen. Mocht hij toch de kuierlatten nemen, dan kan ik hem met het zendertje om zijn poot traceren tot op ruim tien kilometer afstand. Soms raak je het signaal kwijt. Een paar jaar geleden vloog een jonge valk weg. Dagen later is hij door iemand in Groningen ingevangen. Drie weken later ging hij er opnieuw vandoor. Toen heb ik hem niet meer teruggezien.”

In tegenstelling tot de buizerd, een vogel „van de lage vlucht’’, is de valk een vogel „van de hoge vlucht’’. Valken, legt Reinier de Vries uit, „wachten hoog aan’’ en komen dan met grote snelheid naar beneden. Ze moeten de ruimte hebben en daarom laat hij ze naar zijn zeggen de scheiding uit zijn haar vliegen op het weiland achter zijn huis.

Vandaag, besluit hij, gaat hij alleen met Atlas, een blauwgrijze slechtvalk, het veld in. „Een slechtvalk is de snelste vogel ter wereld. Hij kan in een duikvlucht een snelheid van tweehonderdvijftig tot driehonderd kilometer per uur bereiken. Hij moet in principe iedere dag een prestatie leveren om zijn spieren in beweging te houden. Dat doe ik door hem te laten vliegen op de loer.”

Het leren voorwerp waaraan vlees is gebonden en aan een touw krachtig wordt rondgeslingerd, is de inzet van een adembenemend kat-en-muis-spel. De Vries die al zijn vogels heeft getraind op het eten af te komen als ze een fluitsignaal horen, blaast een schrille toon. Onmiddellijk suist Atlas uit de hoogte omlaag, maar juist als hij de loer wil pakken wordt het ding weggetrokken. Rakelings scheert hij langs zijn doel, hij zwenkt door de bocht en zet vanuit tegenovergestelde richting met onverminderde energie opnieuw de aanval in. „Zag je hoe hij naar beneden kwam denderen en haaks voor de struiken opeens omdraaide? Ongelofelijk! Dit verveelt nooit.’’

Valk en valkenier zijn aan elkaar gewaagd. Keer op keer dagen ze elkaar uit in een spel dat draait om snelheid, behendigheid en tactische berekening, totdat Atlas De Vries net te vlug af is. Hij slaat de loer klemvast tussen zijn klauwen en duikt ermee in het gras. Nadat hij zich er met een snelle blik van heeft vergewist dat de kust veilig is, verslindt hij zijn buit. Als de andere valken zich even later gretig op het vlees storten dat hun wordt gegeven, loopt Reinier de Vries naar zijn oehoe Cato, een vorstelijke verschijning die bovenop haar punthuis de tuin regeert. Ze is als enige met de hand grootgebracht en haar verzorger merkbaar toegewijd. Wanneer hij haar begroet welt uit haar keel een omfloerst ‘oehoe’ op.

www.valkenier.info