Geen melk, wel honing

Dat jagers en verzamelaars leven op de schraalste gronden van de aardbol, is algemeen bekend. Maar het is niet waar, blijkt uit satellietmetingen. Dirk Vlasblom

Ze blijven ver van steden en zo ver mogelijk van plantages en veebedrijven, maar je vindt ze in alle werelddelen. Ze wonen aan de bovenloop van de grote Zuid-Amerikaanse rivieren, in de regenwouden van Centraal-Afrika, in de woestijnen van Australië en Namibië en op de ijzige toendra’s binnen de poolcirkel. Hun talen, culturen en samenlevingen zijn heel verschillend, maar ze hebben één ding gemeen – en daarom brengen antropologen hen onder één noemer. Ze leven overwegend van de jacht op wilde dieren en de inzameling van wortels en wilde vruchten. Vandaar: jagers en verzamelaars.

Westerlingen die voor het eerst in aanraking kwamen met deze ‘natuurmensen’ reageerden meewarig. De eenvoudige, maar doelmatige, technologie van de jagers en verzamelaars (pijl en boog, visspies en graafstok) vonden zij primitief, hun leefomgeving bar. Thomas Hobbes schreef in 1651 dat jagers en verzamelaars een ‘eenzaam, armoedig, bruut en kort’ leven leiden. In 1966 viel de Amerikaanse antropoloog Marshal Sahlins dit stereotype aan in het artikel Notes on the Original Affluent Society. Volgens Sahlins wees antropologisch onderzoek uit dat jagers en verzamelaars veel minder uren per dag besteden aan hun levensonderhoud en meer vrije tijd hebben dan leden van de industriële samenleving. Hun ‘overvloed’ zou deels objectief zijn – een voedzaam dieet – deels subjectief: ze zijn met weinig tevreden.

In het jongste nummer van het Journal of Archaeological Science (januari 2007), gooien de Amerikaanse antropologen Claire Porter en Frank Marlowe, beiden verbonden aan Harvard, opnieuw de knuppel in het hoenderhok. Zij schrijven de wijdverbreide opvatting dat jagers en verzamelaars de schraalste gronden op aarde bewonen toe aan de onevenredig grote aandacht die woestijn- en toendrabewoners als de San (Bosjesmannen), de Aboriginals van Midden-Australië en de Inuit (Eskimo’s) krijgen in de literatuur. Met behulp van satellietbeelden vergeleken zij de voedselrijkdom van milieus waarin jagers en verzamelaars en landbouwers leven. Zij concluderen dat de eersten ecologisch niet aan het kortste eind trekken.

evolutie

Die bevinding is van belang voor de reconstructie van de menselijke evolutie. De moderne mens loopt nu zo’n 200.000 jaar rond op aarde – en zijn directe voorlopers al 2 miljoen jaar. Bijna die hele periode hield de mens zich in leven met jagen en verzamelen. Pas aan het einde van de laatste IJstijd, zo’n 10.000 jaar geleden, gingen groepjes mensen in verschillende delen van de wereld over van jacht op landbouw. Na die agrarische revolutie, die de grondslag legde voor hiërarchische, grootschalige samenlevingen, bleven veel groepen jagen en verzamelen. Zij kwamen – vaak onzacht – in aanraking met herders en boeren, die op hun gronden aasden, maar van wie zij ook veel overnamen. Archeologen verdiepen zich in de jagers en verzamelaars van de prehistorie, en antropologen in die van nu. Archeologen zijn aangewezen op schaarse sporen van jagende voorouders. Om dit fragmentarische beeld aan te vullen, kijken ze naar cultuurbeschrijvingen van hedendaagse jagers en verzamelaars. De vraag is nu of die laatste wezenlijke overeenkomsten vertonen met hun prehistorische voorgangers. De meeste onderzoekers beantwoorden die vraag ontkennend.

Veel antropologen menen dat landbouwende samenlevingen dankzij hun grotere bevolkingen en grotere militaire macht jagers en verzamelaars stelselmatig hebben verdreven van productievere gronden. Als dit proces wereldwijd lang en vaak genoeg heeft plaatsgevonden, bewonen jagers en verzamelaars nu schralere milieus dan vóór de komst van de landbouw. De volhouders van nu vormen dan een selecte steekproef, waaruit geen conclusies kunnen worden getrokken over samenlevingen van vóór de landbouw. Die laatste kenden misschien wel een veel grotere bevolkingsdichtheid dan de huidige jagers en verzamelaars, en daarmee een heel andere sociale organisatie.

De hypothese dat landbouwers jagers en verzamelaars hebben verdreven uit productievere milieus, leidt tot de voorspelling dat de gemiddelde productiviteit van milieus bewoond door landbouwers hoger is dan de gemiddelde productiviteit van jagers- en verzamelaarsmilieus. Dat is nooit getoetst. De antropologen Porter en Marlowe hebben dit voor het eerst gedaan.

Om de milieus van jagers en verzamelaars en die van landbouwers te vergelijken maakten de auteurs gebruik van het Standard Cross-Cultural Sample (SCCS). Dat is in 1969 samengesteld door de antropologen G.P. Murdock en D.R. White. Het SCCS telt 186 samenlevingen die goed zijn beschreven en die een representatief beeld geven van samenlevingen over de hele wereld, per regio, taalfamilie en cultuurgebied.

leefmilieu

De onderzoekers gebruikten drie maten voor de kwaliteit van een habitat (leefmilieu). In de eerste plaats effectieve temperatuur, een maat voor de variabiliteit van een lokaal klimaat. In de tweede plaats de primaire biomassa, dat wil zeggen de hoeveelheid staand plantmateriaal in een bepaald gebied. En tenslotte maten ze met NASA-satellieten de netto primaire productie (NPP), de jaarlijkse aanwas van planten en bomen. Die is belangrijk, want mensen en de meeste prooidieren leven van vruchten en wortels.

De gemiddelde NPP van jagers- en verzamelaarsmilieus bleek iets lager dan die van landbouwersmilieus, maar niet significant. Dat jagers en verzamelaars wereldwijd iets marginalere milieus bewonen dan landbouwers, komt omdat relatief veel volkeren in koude noordelijke milieus wonen, waar landbouw niet mogelijk is. Als de analyse wordt beperkt tot warme klimaten, is de habitatkwaliteit van jagers en verzamelaars hoger dan die van landbouwers.

NPP, erkennen de auteurs, is een grove maat voor voedselrijkdom. Volgens hen zou een maat die ook secundaire (dierlijke) biomassa omvat, een realistischer beeld opleveren. De habitats van jagers op arctische zee- en landzoogdieren hebben weinig of geen plantaardige biomassa, dus meetellen van dierlijke biomassa zou de kwaliteitscores van deze milieus flink verhogen. Savannes staan bekend om hun overvloedige wild (neem het Serengeti-plateau in Kenia), dus ook gebieden met lage plantproductie kunnen een grote dierlijke biomassa onderhouden.

rookhuizen

De auteurs willen op basis van dit onderzoek niet beweren dat hedendaagse jagers en verzamelaars zonder meer vergelijkbaar zijn met hun prehistorische voorgangers. Het belangrijkste verschil tussen hedendaagse en prehistorische jagers en verzamelaars is de complexere technologie. De vissers van de Amerikaanse noordwestkust bouwen pas sinds zo’n vijfduizend jaar jaar stuwdammen in rivieren en rookhuizen voor de opslag van zalm. De boog, wijd verspreid onder hedendaagse jagers en verzamelaars, is niet veel ouder dan 15.000 jaar. Toch suggereren de onderzoeksresultaten van Porter en Marlowe dat leven in marginale habitats niet kenmerkend is voor de jagers en verzamelaars van nu, zeker niet in warmere gebieden.

De moderne mens en eerdere mensachtigen hebben zich waarschijnlijk ontwikkeld in Oost-Afrika, in een gebied met primaire productieniveaus die in de buurt komen van de warme gebieden die Porter en Marlowe analyseerden. De jagers en verzamelaars in warmere gebieden zouden dus wel eens een betrouwbaarder steekproef kunnen vormen voor het trekken van sociaal-ecologische conclusies over vroege jagers en verzamelaars dan menige scepticus tot nu toe dacht.