Geachte heer Balkenende,

De eerste commentaren op de verkiezingen van 22 november 2006 benadrukken dat de formatie van het nieuwe kabinet heel ingewikkeld wordt. Niet alleen omdat er nauwelijks een meerderheid te vormen is maar ook omdat de programma’s inhoudelijk ver uit elkaar liggen. Volgens mij komt dat vooral omdat men op een verkeerde manier naar die programma’s kijkt. Beziet men ze vanuit de traditionele tegenstelling tussen links en rechts, dan doemen er inderdaad bijna onoverbrugbare verschillen op. Maar op een dimensie van meer of minder individualisme ziet de zaak er toch heel anders uit.

Op deze dimensie blijkt namelijk dat zowel de winnaars als de verliezers van de jongste verkiezingen iets met elkaar gemeen hebben. De winst werd vooral geboekt door partijen die nadruk leggen op verbondenheid. Dat geldt uiteraard voor de SP die op een meer sociaal en menselijk beleid inzette. Het gaat ook op voor de ChristenUnie die zich voor vertrouwen en naastenliefde sterk maakt. Het geldt voor de partij die zich om het welzijn van de dieren wil bekommeren en het geldt zelfs voor degenen die met hun stem op Wilders het vaderland willen beschermen. Ten slotte geldt dat ook voor het CDA dat al een aantal jaren aandacht voor gedeelde waarden vraagt. Met andere woorden: alle partijen die een vorm van binding nastreven kwamen versterkt uit de verkiezingsstrijd.

Even opvallend is dat alle verliezende partijen een (neo)liberale nadruk op individualiteit gelegd hebben. Dat geldt uiteraard voor de VVD die het individualisme op een tamelijk materialistische manier heeft ingevuld, maar het gaat evengoed op voor D66 waar het individualisme een meer ideële strekking heeft. Het geldt voor de partij van Femke Halsema die zich bewust als een verdediger van het liberale gedachtengoed opstelde. En het geldt ten slotte voor de PvdA die onder leiding van Wouter Bos de afgelopen jaren een wending in neoliberale richting doormaakte. Met andere woorden: alle partijen die een meer individuele levensstijl nastreven kwamen verzwakt uit de verkiezingsstrijd.

Het is dus niet verstandig om zich blind te staren op de sociaal-economische verschillen die de vorming van een kabinet bemoeilijken. Er is ook een sociaal-culturele onderstroom die tot een andere verdeling van het politieke landschap leidt en waarbij de strijd tussen voor- en tegenstanders van gemeenschap gaat. De verkiezingsuitslag van afgelopen woensdag laat zien dat de communautaire stroming ontegenzeggelijk gewonnen heeft.

Nu komt die overwinning bepaald niet uit de lucht vallen. De onderzoeken van het SCP laten al een aantal jaren zien dat de Nederlandse bevolking met haar hart voor meer gemeenschap kiest, ook al weten veel burgers met hun verstand dat de werkelijkheid vaak in het teken staat van marktwerking. Maar politiek is niet een zaak van het verstand alleen en afgelopen woensdag liet het electoraat zijn hart spreken.

Dat biedt zowel kansen als risico’s. Een risico is ontegenzeggelijk dat men de harde wetten van de wereldeconomie uit het oog verliest. Niemand hoeft u daaraan te herinneren. Laat ik daarom aandacht vragen voor de kansen die het nieuwe politieke landschap biedt, met name voor het bevorderen van burgerschap. Het is een onderwerp dat – met excuses voor de beeldspraak – al geruime tijd boven de markt zweeft maar tot op heden onvoldoende vorm krijgt.

Misschien moet ik me specifieker uitlaten. U weet dat er met betrekking tot burgerschap ten minste drie tradities zijn. Er is een liberale lijn die graag nadruk op de verworven rechten van burgers legt. Er is een neorepublikeinse lijn die de inzet van burgers voor de publieke zaak belangrijk vindt. En er is een communitaristische die aandacht voor gemeenschappelijke waarden vraagt. Ofschoon ik zelf een voorkeur voor de tweede denktraditie heb, meen ik dat de kansen voor het communitarisme met deze verkiezingen gestegen zijn.

Tegen die achtergrond is een centrum-linkse coalitie wellicht stabieler dan de commentaren tot op heden aannemen. Waarden als betrokkenheid, gemeenschapszin, naastenliefde, solidariteit, respect voor het leven of barmhartigheid zouden dragende idealen van een dergelijke regering kunnen zijn. Daarbij gaat het natuurlijk niet om de woorden waarin het streven naar verbondenheid wordt uitgedrukt. Qua idioom zullen er altijd verschillen tussen christenen, socialisten, moslims of humanisten blijven. Maar wie in zijn handelen serieus werkt aan verbondenheid laat zich niet door verbale verschillen afschrikken.

Het ligt gegeven de verkiezingsuitslag voor de hand dat u het initiatief voor een dergelijke coalitie neemt. Maar het is ook duidelijk dat dit van u persoonlijk veel politieke moed vereist. Per slot van rekening is het streven naar verbondenheid dat nu boven water komt een reactie op de neoliberale agenda die u steeds verdedigd heeft. Niettemin kan men het vanuit democratisch oogpunt toejuichen als dit streven in de samenstelling van het nieuwe kabinet tot uiting komt.

Ik denk dat u daarbij ook een troef in handen heeft. Tegen het einde van de campagne wees een Amerikaanse correspondent erop dat het vraagstuk van de integratie nauwelijks een rol speelde. Hij vermoedde dat Nederland – wellicht als eerste in Europa – een zekere consensus heeft bereikt. Na een heftige periode van debat zijn veel burgers het inmiddels eens: respect voor migranten waar het om hun godsdienst gaat, maar aanpassen en meedoen als het om meer alledaagse dingen gaat. Dat zou verklaren waarom de campagne er zo weinig over ging.

Maar dat geldt evengoed voor het onderwerp dat u zelf heeft geagendeerd. Over de betekenis van normen en waarden zijn de meeste partijen het inmiddels eens. Ook op dat gebied heeft Nederland – zoals de historicus James Kennedy onlangs in de Volkskrant liet zien – een stille revolutie ondergaan. Opvoeden, grenzen stellen, normen handhaven of waarden serieus nemen: het zijn even zovele tekenen van een brede overeenstemming waarop uw kabinet zou kunnen rekenen.

Het belang van een dergelijke overeenstemming wordt hardnekkig onderschat. Laten we echter niet vergeten dat de huidige president van de Verenigde Staten met een morele agenda aan de macht gekomen is. Beslissend voor de verkiezingen was toen dat onder het electoraat grote zorg over de liberale agenda van de democraten was ontstaan. Maar terwijl die zorgen in VS aan de rechterzijde gearticuleerd werden, is dat in Nederland vooral op links gebeurd.

Al met al denk ik dat de kansen op een succesvolle centrum-linkse coalitie onder uw leiding veel groter zijn dan de meeste commentaren ons voorspiegelen. Het vormt een interessante test voor de partijen die programmatisch ver van het CDA af staan. Ze krijgen nu de kans te laten zien of de verbondenheid hun werkelijk ter harte gaat. Daartoe moeten ze in dogmatisch opzicht boven zichzelf uitstijgen. Maar het is ook een test voor het CDA waarvan de sociale vleugel al te lang gezwegen heeft. En ten slotte is het een test voor u persoonlijk, omdat nu de kans ontstaat premier van heel Nederland te zijn.

Gabriël van den Brink is hoogleraar maatschappelijke bestuurskunde aan de Universiteit van Tilburg en auteur van ‘Culturele contrasten’. Hij heeft bovenstaande brief gisteren aan demissionair premier Balkenende verstuurd.