Doorgaan, alleen voor Claudia

Joachim Franke (66), geboren in de oorlog en opgegroeid in de DDR, geldt als een van de meest succesvolle schaatstrainers ooit. Zolang Claudia Pechstein schaatst, staat hij haar bij. Maar ijshockey blijft zijn ware liefde.

Joachim Franke: „Naast school moest ik werken om geld binnen te brengen. Dat heeft me als mens gevormd.” Foto Omnipress Bildnummer: 02461868 Datum: 18.11.2006 Copyright: imago/Schiffmann Trainer Joachim Franke (Deutschland) zeigt die Zwischenzeit an; Vdig, hoch, Freisteller, 3000m, 3000 m, Meter, Zeit, Zeittafel, Tafel, Anzeige, Anzeigetafel, Zahl, Zahlen, Rundenzeit, 11, 1 1 Weltcup 2006/2007, Welt Cup, Worldcup, World, WC Berlin Eisschnellauf Damen Einzel Einzelbild Randmotiv Personen Objekte OMNIPRESS

Zijn koffie wordt koud, terwijl Joachim Franke de hoogtepunten memoreert uit een unieke carrière van 35 jaar als schaatscoach. Topsprinter Uwe-Jens Mey, twee keer olympisch goud op de 500 meter. „Ongeëvenaarde klasse!” Of de Sensation-Siege van André Hoffmann en Olav Zinke bij de Spelen van 1988 en ’92. De vier wereldtitels van Monique Garbrecht. „Maar tussen al deze toppers staat Claudia Pechstein op één. Klar. Vijfmaal goud, twee zilver, twee brons. Uniek, ze is de meest succesvolle Duitse sporter ooit op Olympische Winterspelen. Daarbij komen EK’s, WK allround, vijf keer wereldtitels per afstand, wereldbekers, zoveel wereldrecords. Claudia heeft alles.”

Tegen de verwachting in besloot de 34-jarige Pechstein na vorig seizoen, waarin ze olympisch goud en zilver won, om haar loopbaan voort te zetten. Dus ging ook het geplande afscheid van haar coach niet door. In plaats van thuis in Berlijn bij vrouw, dochters en kleinkinderen staat Franke dit weekend op het ijs bij wereldbekerwedstrijden in Moskou. „De enige reden waarom ik nog doorga, is de begeleiding van Claudia Pechstein. De afgelopen vier jaar heb ik gezondheidsproblemen gehad, constant pijn. Maar als ik wilde stoppen, vroeg Claudia me steeds om door te gaan. Dat kon ik haar niet weigeren. Inmiddels ben ik aan beide heupen geopereerd en voel me weer oké.”

Joachim Franke wordt aan het begin van de Tweede Wereldoorlog geboren in Weisswasser, een stadje op 160 kilometer van Berlijn. „Aan de oorlog zelf heb ik niet veel herinneringen. Wel dat we met het hele gezin moesten vluchten en later weer thuis kwamen. Maar het meest herinner ik me de periode net na de oorlog. Harde tijd. Naast school moest ik werken om geld binnen te brengen. Dat heeft me als mens gevormd. Sport was voor mij een ontsnapping. Als goede sporter kreeg je zogenoemde Sonder-Marken, waarmee ik ervoor kon zorgen dat mijn familie fatsoenlijk te eten had. Als ik daaraan terug denk, voel ik me nu nog een beetje trots.”

„Weisswasser stond bekend om de glasindustrie en de ijshockeypuck. Als jongen was je populair als je ijshockeyde, zeker wanneer je op je zeventiende in het eerste team van Dynamo kwam. We werden bijna elk jaar kampioen van de DDR. Ik was aanvaller. Creatief, snel, meer aangever dan afmaker. Ik kwam al snel in de nationale ploeg en heb in totaal 160 interlands gespeeld. Maar ik heb altijd geweten dat ik na mijn carrière trainer zou worden. Topsporters kregen in de DDR alle mogelijkheden om naast de training voor sportleraar te studeren. Van 1968 tot ’72 ben ik ijshockeytrainer geweest.”

Dan neemt het leven van Franke een bijna absurdistische wending. „We presteerden goed, ik stond bekend als een jonge, dynamische trainer. Toen kwam er van de ene op de andere dag een politieke oekaze. Zo ging dat damals. Ik moest naar Berlijn komen voor een gesprek. Ze vertelden me dat de DDR in het ijshockey weinig kans had op succes, terwijl in het schaatsen liefst 27 olympische medailles waren te verdienen. Al het geld zou naar het schaatsen gaan, ik moest schaatstrainer worden. Bij mij kwam die beslissing keihard aan. Mijn hart, mijn liefde lag al sinds de jeugd bij het ijshockey. Ik vroeg bedenktijd. Maar intussen werd het ijshockey er niet leuker op. In 1972 moesten we bij het WK in Roemenië opzettelijk verliezen van de Amerikanen, omdat we niet mochten promoveren naar de A-groep. Dat zijn voor een trainer moeilijke momenten. Op dat moment heb ik besloten om over te stappen naar het schaatsen. Ook al had ik geen enkele ervaring.”

Franke wordt in Berlijn chef-trainer van de DDR-schaatsers. „De machthebbers zeiden dat de oude trainers niet consequent genoeg waren en onwillig om nieuwe ideeën uit te voeren. Ik moest zorgen dat ze deden wat er werd verlangd. Schaatsen moest het programma volgen van andere duursporten als atletiek, zwemmen en wielrennen. Ik stortte me intensief op fysiologische methodes en zette een trainingsprogramma op papier. Er ontstonden direct grote conflicten. De trainers zeiden tegen hun schaatsers: ‘dit zijn niet onze ideeën, ze komen van bovenaf, van hem, die ijshockeyer’. De trainer van onze beste jonge schaatsers stopte er zelfs mee. Ik moest het overnemen, en vanaf 3 januari 1973 stond ik daadwerkelijk op het ijs. Pas twee jaar later kwam de doorbraak, met de wereldtitel allround voor Karin Kessow en een tweede plaats voor Heike Lange op het WK sprint. Eindelijk voelde ik me geaccepteerd, door de andere trainers en vooral ook door de sporters.”

Topsport stond in de DDR in hoog aanzien, voor sporters en coaches leek de communistische heilstaat een paradijs. „Er waren grote mogelijkheden. Maar daarbij waren er constant politieke complicaties. In 1976 beschikten we over een uitstekende damesploeg, die zich in eigen land voorbereidde op de Spelen van Innsbruck. Toen het weer te slecht werd, stelde ik voor om ons kamp op te slaan in Inzell en daar wedstrijden te rijden. Mocht niet, een DDR-ploeg hoorde niet in de Bundesrepublik. Met zulke gevoeligheden had je te maken. Nu gingen we zonder competitie naar de Spelen en bleven daar onder ons kunnen.”

Met Karin Kania en Andrea Schöne groeit de DDR bij de vrouwen in de jaren tachtig uit tot nummer één van de wereld. Franke stapt in die tijd over naar de mannen, die minder succes hadden. „Je leefde in een hard klimaat. Ofwel je was goed, dan kreeg je ondersteuning en mocht je naar het buitenland. Ofwel je was niet goed, dan bleef je in eigen land om te trainen. Het was zwart of wit, daar zat niets tussen. Topzes van de wereld, dat was de eis die werd gesteld om mee te mogen doen aan de wereldbeker. Maar om dat niveau te komen, hadden we juist internationale competitie nodig. Daar viel niet over te praten.”

Franke is desondanks succesvol, met dank aan sprinter Uwe-Jens Mey. „Hij was begaafd, had hoge Kraft-Parameter en was zeer snel. Daarbij beschikte hij over een killersinstinct en was zeer doelgericht. In 1985 hebben we een concept ontwikkeld, helemaal afgestemd op zijn kwaliteiten. Toen hebben we gezegd dat we in Calgary 1988 unbedingt de 500 meter wilden winnen. Dat was op dat moment nog een illusie. Maar het plan klopte. Hij won goud, en in 1992 opnieuw. Als hij niet had gekozen voor een maatschappelijke carrière, had hij ook in 1994 kunnen winnen.”

DDR-succes wordt, zeker achteraf, consequent met doping in verband gebracht. „Dat ervaar ik als uiterst pijnlijk”, zegt Franke. „Uwe Mey is vanaf 1991 liefst 41 keer gecontroleerd op doping, een record. Nooit iets gevonden. In Nederland is ooit aan een topschaatser – ik noem de naam niet – gevraagd: ‘wat vind je van Olav Zinke, de verrassende winnaar van de duizend meter in 1992?’ Hij antwoordde: ‘ik ken hem niet, maar het is wel een Oost-Duitser’. Daarmee wist iedereen wat hij bedoelde. Ach, dat zie ik maar als nostalgie. Wat me irriteert, is als collega-trainers zomaar beschuldigingen uiten. Leen Pfrommer heeft in 1998 iets gezegd in de krant. Nicht schön. Maar de feiten in onze sport geven het beste antwoord.”

Franke wijst erop dat het succes na de val van de Berlijnse Muur in 1989 niet stopte. „In het westen werd gedacht: de resultaten die ze in de DDR-sport behaalden, zullen onder onze voorwaarden snel verleden tijd zijn. Maar we konden in vrijheid blijven werken en ons eigen programma volgen. In de DDR waren veel functionarissen die elk detail controleerden, dat was ook moeilijk. Het goede aan de Wiedervereinigung is dat het daarna meer begon te lonen om creatief te zijn. En nu het curieuze: na de samenvoeging behaalde ik als trainer betere resultaten dan ervoor. Met dank aan Monique Garbrecht en natuurlijk Claudia Pechstein.”

Zijn eigen inbreng mag Franke graag relativeren. „In de DDR was het relatief makkelijk om als trainer de baas te zijn. Maar met een topper als Mey kreeg ik een andere relatie. Ik ging overleggen, raakte geïnteresseerd in zijn visie en begon in te zien hoe belangrijk een vertrouwensband met de sporters was.” Want in essentie moet de sporter het volgens hem zelf doen. „Mijn atleten hadden het vermogen om uitgerekend op de belangrijkste minuten van hun carrière hun beste kunnen te tonen. Dat is een kunst op zich. Atleten moeten zelf nadenken over hun fysieke en mentale conditie. Alleen dan kun je als coach goed anticiperen. Pechstein is het beste voorbeeld. Dit is het zestiende jaar dat we samenwerken, en ze heeft elk jaar successen behaald. Terwijl juist Claudia vatbaar is voor gezondheidsproblemen. Ze is niet zo belastbaar als Gunda Niemann of Anni Friesinger. We moeten de training steeds aanpassen.”

Zijn bijzondere band met Pechstein? „Zo’n lange periode samen, dat zie je in de topsport niet veel. Succes is een factor. Maar ik denk dat we elkaar als persoon ook goed liggen. Als trainer en sporter zul je altijd verschillen van inzicht hebben. Maar Claudia heeft een gute Kopf, en stopt dat gauw weer weg. Ze is in die zestien jaar van jong meisje een jonge vrouw geworden. Ik weet nog dat ze in 1991 aan me vroeg of ze bij ons mocht trainen. Ze had net een baan en trainde op haar twee vrije middagen, zo zijn we begonnen. Nu is ze 34 en zoeken we nog steeds naar manieren om te verbeteren. Dat moet wel, want Cindy Klassen heeft het vrouwenschaatsen vorig jaar een nieuwe dimensie gegeven.”

En dan volgend jaar stoppen, na de WK afstanden in het Berliner Sportforum, waar het ooit allemaal begon? „Voor mezelf maakt het niet veel uit. Ik had het ook mooi gevonden om na het absolute hoogtepunt in 2002 te stoppen, of na 2006. Berlijn 2008 kan natuurlijk wel een mooi afscheid zijn. Maar alleen als Claudia in haar beste vorm is.”

Franke roert in de koude koffie en mijmert. „In Weisswasser kom ik zelden meer. Alles is er zo veranderd. Mijn teamgenoten van vroeger zijn allemaal alte Herren geworden. Sinds ik schaatscoach ben, heb ik bijna geen tijd meer om naar het ijshockey te gaan. Alleen bij wedstrijden in Calgary staat één ding vast: ik moet en zal de Flames zien spelen. Schitterende sport, die liefde gaat nooit over. De tijd dat ik zelf speelde was de mooiste. Maar ja, soms moet je dingen opgeven. Zo is het leven.”