Dode stalker

Ik ben geen literatuurwetenschapper die zich vermaakt met onderzoek waarbij het alleen om geabstraheerde feitelijkheden, regels of wetmatigheden gaat. Natuurlijk doe ik dat soort onderzoek ook, maar terwijl ik dat doe probeer ik me altijd de mensen voor te stellen om wie het gaat. Ik hou het mijn studenten voor: bij literatuur gaat het om mensen. Literaire boeken worden geschreven door en voor mensen, ze worden uitgegeven, gedrukt en verkocht door mensen, en wat erin staat heeft met mensen te maken, en juist daarom is literatuur zo bijzonder. Waarom schreef een bepaalde schrijver een bepaald boek in een bepaalde tijd, dat interesseert me meer dan een schema van de vertelsituatie of een analyse van de stijl. Waarom is de hoofdpersoon een outcast, wat heeft dat te maken met de schrijver en wat met de maatschappelijke situatie van een bepaald moment? Ik hoef de oplage van een roman niet te weten als ik me er de lezers niet bij kan voorstellen. Waarom ontroerde een bepaald boek, wat sneed de schrijver aan zodat het effect had?

Als ik me verdiep in auteurs wil ik ook altijd op de een of andere manier door hen gegrepen worden. Ik zou er bij wijze van spreken een verhouding of een vriendschap mee hebben willen aangaan, als ik hun tijdgenoot was geweest. Ik heb er wel eens over nagedacht wie van de negentiende-eeuwers ik het liefst zou willen ontmoeten. Stel dat er een of andere God bestond die me in staat stelde er één levend te leren kennen, dan zou ik in een ernstig debat met mezelf raken, wie te kiezen. Van Lennep, die leuke schavuit, ach, wat zou ik met hem kunnen lachen. Natuurlijk zou hij me in de eerste plaats als vrouw benaderen, niet als neerlandica, want het vlees ging bij hem boven de geest. Gerrit van de Linde, ongetwijfeld de mooiste man onder de schrijvers, ja, dat zou een feest worden dat ik me nog lang zou heugen. Hij zou me trakteren op een uitgebreid maal, hij zou me meenemen naar mooie plekken, en hij zou voortdurend grappen maken. Jan Kneppelhout, intrigerend, met hem zou ik wel een indringend gesprek kunnen voeren en ik zou hem toch echt willen vragen waarom hij nooit aan een roman begonnen is. Ik probeer me voor te stellen hoe hun gestalten eruit gezien moeten hebben, of ze groot of klein waren, ik probeer hun geur te bepalen, hun stemgeluid. Een collega die zich verdiept had in de psychoanalytische benadering van literatuur vroeg me eens of ik wel eens droomde over Gerrit van de Linde, over wie ik veel geschreven heb. Ja, moest ik toegeven, ik heb over hem gedroomd, en het was plezierig. Ook een beetje eng, want hij benaderde me van achteren. Ik zat op een bureaustoel, hij had een zwarte cape om en sloeg zijn armen om me heen, zodat ik in de cape gevangen zat. Over Truitje Toussaint heb ik ook wel eens gedroomd. Ik zag dat ze op sloffen over straat liep, een beetje moeizaam, ze leek iets te zoeken, en praatte in zichzelf, maar ik kon haar niet helpen. Het was alsof ze me iets duidelijk wilde maken maar ik begreep haar niet, en tegelijk leek ze mijn aandacht ook af te weren.

Het is tamelijk voorspelbaar door welke schrijvers ik geïntrigeerd word. Ik heb niets met degelijke brave auteurs, ook al schrijven ze nog zo mooi. Er moet drama in hun leven zitten, en een beetje valsigheid. Als er weinig drama is, kan rusteloosheid of gedrevenheid voor compensatie zorgen. Met een stuk of vijf schrijvers uit de negentiende eeuw heb ik een speciale band, van hen wil ik alle drukken hebben, alles gelezen hebben, alle brieven gezien, alle portretten. Ik breng ze te pas in de colleges en ik citeer hun werk in artikels en lezingen. Ik zoek hun graven op, en de plekken waar ze gewoond hebben. Last hebben ze niet van mij, integendeel, zo komen ze nog eens in de openbaarheid.

Er lijkt echter een schrijver te zijn die ik niet opzoek, maar die mij opzoekt. Ik word achtervolgd door Nicolaas Beets. Ik ben niet speciaal door hem gefascineerd, maar hij loopt me elke keer weer voor de voeten. Het is alsof ik een stalker uit het verleden heb. Nicolaas Beets hoort niet in het rijtje van de schrijvers met een dramatisch leven en een zekere valsigheid. Hij is gewoon een hele brave, zij het wat ijdele man. Een streek heeft hij nog nooit iemand geleverd. Natuurlijk, er zit wel wat ongeluk in zijn leven. Hij verloor zijn vrouw en bleef met negen kleine kinderen achter, maar heel kort na haar dood hertrouwde hij met een jongere zuster van haar. Mannen zijn vaak toch al dol op de zussen van hun vrouw, dus zo’n tweede huwelijk in de familie is toch niet zo heel dramatisch. Je eerste vrouw lijkt dan een beetje minder dood, stel ik me voor. Verder ging altijd alles maar goed in zijn leven.

Hij had toen hij ging studeren in Leiden al een literaire reputatie. De ouderejaars vonden hem wel zelfingenomen, maar door zijn studiegenoten werd hij op handen gedragen vanwege zijn prachtige romantische poëzie. In die tijd schreef hij zwaarmoedige verhalen in dichtvorm. Het mooiste is het verhaal van Guy de Vlaming, een edelman die zonder het te weten met zijn zus trouwt, krankzinnig wordt en haar en zichzelf doorsteekt. Aan het eind van zijn studententijd nam Beets afstand van deze ‘zwarte tijd’. Hij bereidde zich voor op zijn aansluiting aan de maatschappij, door als buitenstaander geamuseerd toe te kijken. Hij beschreef met scherpe pen in de Camera Obscura de burgerij: parvenu’s, hielenlikkers, couponnetjesknippers, overbezorgde moeders, overjarige dames die aan cultuur doen en bangelijke thuisstudentjes. Hij probeerde dat in heldere taal te doen: hij ontdeed de taal, zo zei hij zelf, van haar zondagse jas.

Beets wist de kleindochter van een van zijn hoogleraren te veroveren, een freule. In 1840 trouwde hij met haar en in hetzelfde jaar werd hij predikant in Heemstede. Hij had zich omhoog getrouwd, hij kreeg steeds betere domineesposten, als literator was hij immens populair, hij werd professor zonder daar veel voor te hoeven doen.

Geen schrijver om ’s nachts dromen van te krijgen. Maar toch, steeds komt hij op mijn pad. In de literatuurcolleges ligt het voor de hand dat hij een plaats krijgt, maar als ik eenmaal aan de slag ga met de Camera Obscura, is er geen houden meer aan. Het is een meesterwerk, zeggen mijn promovendi. De studenten vinden Beets geestig en modern. Ik sta versteld, want jarenlang hoorde ik alleen maar jammerklachten over de Camera. Ik krijg een mail uit Haarlem. Of ik een lezing over Beets wil geven. Een verzoek uit Zaandijk. Er is daar een museum-woonhuis dat zo zou kunnen dienen voor filmopnamen van de familie Stastok. De directie vindt dat ik daar wel een voordracht over Beets kan houden. Ik word opgebeld door een woordvoerder van een Amsterdamse Stichting, die een avond wil wijden aan meesterwerken in de Nederlandse literatuur. Voor de Camera Obscura hadden ze aan mij gedacht.

Op veilingen en rommelmarkten waar ik zoek naar eerste drukken van Jacob van Lennep, kom ik eerste drukken van Nicolaas Beets tegen. Ik rij op een mooie herfstdag door Noord-Holland en de weg voert me naar het plaatsje Beets. Ik lees de brieven van Jan Kneppelhout, en de beste zijn die aan Nicolaas Beets. Voor een lezing in Londen zoek ik naar voorbeelden van liefdadige schrijvers, en kom bij Beets uit. Is dit nog literatuurwetenschap? Beets komt naar mij, in plaats van ik naar hem.