De weldadige stilte rond Harry Mulisch

Balkenende betreurt de angstwekkende stilte onder intellectuelen en richtte zich tot Harry Mulisch. Maar die kan beter zijn mond houden.

Frits Bolkestein

Oud-fractieleider van de VVD, oud-eurocommissaris. Auteur van ‘Grensverkenningen: dagboek van een eurocommissaris’ en ‘De twee lampen van de staatsman’.

In zijn interview met Elsbeth Etty (Opinie & Debat, 18 november) zegt Harry Mulisch dat hij in de jaren zestig razend was op de regenten en dat de mensen „die indertijd tegen Castro waren ongelijk (hadden)”. „Zo gaat dat in de geschiedenis.” Hoe verliep de geschiedenis van Mulisch op Cuba precies? Schreef hij werkelijk dat Fidel Castro boven iedereen uitstak „door zijn motieven, zijn eerlijkheid, zijn intelligentie, zijn leiderskwaliteiten, zijn gevoel voor humor, zijn doorzettingsvermogen, zijn onafhankelijkheid, zijn radicaliteit, en natuurlijk ook door zijn onvoorstelbare moed?”

Wie moeite heeft dat te geloven, moet Het woord bij de daad. Getuigenis van de revolutie op Cuba, doorlezen tot hij deze dweperige passage op blz. 129 tegenkomt. Geen wonder dat Mulisch iedere keer weer zand in zijn mond kreeg wanneer Castro met hem sprak. „Wat zou ik hem te vertellen kunnen hebben?” Dit boek, dat Mulisch na twee reizen naar Cuba (in 1967 en in 1968) schreef, getuigt niet zozeer van die revolutie als wel van Mulisch zelf. Hij verkeerde in de ban van de revolutionaire romantiek. „Ik was opeens in mijn element.”

De Cubaanse revolutie was voor Mulisch de authentieke revolutie want zij was „een voortgaande beweging”. De kern van die revolutie was het ontstaan van de nieuwe mens, de integrale mens. Dat is hij „die in staat is zijn persoonlijke belangen te identificeren met de belangen van een maatschappij, die, doordat zij de productiemiddelen in handen brengt van het hele volk, afrekent met het individualisme dat een overblijfsel is van de antagonistische klassenmaatschappij”. Fidel Castro en Che Guevara waren exemplarisch voor die integrale mens: door hun solidariteit en door hun ‘vertijdelijking’ – „je wist nooit waar zij waren, voortgedreven als zij werden „door de onrust van de dialectiek”.

De communistische partij op Cuba was werkelijk democratisch want zij werd samengesteld door het volk, in tegenstelling tot de pseudoparlementaire democratie als de Nederlandse, die slechts een methode was om het kapitalisme een positieve lading te geven. „Zoals altijd op Cuba moet de uitslag van de stemming het liefst unaniem zijn.” Verkiezingen hoeven niet gehouden te worden, want de overgrote meerderheid van het volk stond achter de revolutie. „Dat staat buiten twijfel.” Wie had het over regenten?

Het ging steeds beter op Cuba. „Arbeiders en boeren, die uit hun krotten worden gehaald, krijgen geheel gemeubileerde woningen met ijskast in eigendom.” Op blz. 233 schrijft Mulisch: „Sta mij toe dat ik lach.” Ik zeg het hem na. Mulisch had niet zozeer zand in de mond als wel in de ogen. Om de mond had hij stroop.

‘Het woord bij de Daad’ is puur getuigenis: Castro is God, de Cubaanse revolutie een mirakel, de VS de duivel en Mulisch de evangelist die zijn afkeer van de eigen samenleving van de daken schreeuwt.

In zijn interview met Etty zegt Mulisch over Nederland: „De jure bestaat er vrijheid van meningsuiting, de facto niet.” En in Cuba? Hoe zat dat met de ‘affaire-Padilla’? Heberto Padilla was een Cubaanse schrijver die in 1969 werd beschuldigd van ‘contrarevolutionaire handelingen’. Daardoor raakte hij zijn baan kwijt. Mulisch kende Padilla van gezicht maar voelde niets voor een ontmoeting. „Ik had geen zin om in de revolutie te snuffelen.” Op 20 maart werd Padilla gearresteerd. Een aantal kunstenaars en intellectuelen ondertekende daarop een protestbrief aan Castro. Zo niet Mulisch. Dat zou koren op de molen van de vijanden van de revolutie zijn. Na zijn vrijlating putte Padilla zich uit in zelfkritiek. Hij wees beschuldigend naar de buitenlandse journalisten die naar zijn contrarevolutionaire analyses hadden geluisterd. Was die zelfkritiek afgeperst door marteling? „Ik geloof er geen bal van”, schreef Mulisch. „Ik denk dat het minder met geweld te maken heeft dan met inzicht in een tragische situatie.” Waren de protesterende intellectuelen CIA-agenten? „Subjectief niet, objectief wel”, vond Mulisch. „Het Amerikaanse imperialisme heeft in laatste instantie de affaire-Padilla op zijn geweten.” In 1980 mocht Padilla zijn vaderland verlaten.

Minister-president Balkenende betreurt de ‘angstwekkende stilte’ onder intellectuelen. Harry Mulisch is zonder twijfel een intellectueel. Is zijn stilte niet veeleer weldadig?