De kleine prins

Op feestdagen trekken Chinese families erop uit. „Verschillende generaties ouderen en een kind op wie alle ogen gericht zijn.”

Chen Yens moeder met kleinzoon Foto Carolijn Visser Visser, Carolijn

In de bus lijkt het wel spitsuur terwijl het een nationale feestdag is en bijna alle Chinezen vrij hebben. Iedereen is – net als Chen Yen en ik – op weg naar familie. In ons geval de familie van Chen Yen. We stappen uit en stromen met de menigte mee naar de ingang van de metro want we zijn er nog niet. We hebben afgesproken bij uitgang 4 van een halte in Pudong, in het nieuwe deel van Shanghai. Als we boven de grond komen, is de vader van Chen Yen er al. Niet veel later verschijnen Chen Yens zuster met haar dochtertje, ze zijn in alle vroegte vertrokken uit de naburige stad waar ze wonen. Het wachten is nu nog op Chen Yens moeder. Die is haar kleinzoontje gaan halen bij zijn andere grootouders. Ook zij hebben maar één kleinzoon en tijdens deze feestdagen moet hij worden gedeeld.

Als het tweetal de trap opkomt, stijgt gejuich op, de vierjarige jongste telg van de familie wordt door iedereen geknuffeld. Hij draagt gloednieuwe sportschoenen die bij elke stap oplichten en een T-shirt met gekleurde strepen. Zijn ouders zullen niet van de partij zijn, want zij werken in de horeca en die draait vandaag op volle toeren.

Chen Yen en haar vader nemen de kleine man tussen hen in en zwaaien hem aan zijn armen voorwaarts. „He likes that”, zegt Chen Yen blij. We gaan naar het Eeuw Park, waar een tentoonstelling is van kunstwerken die samengesteld zijn uit bloemen en planten. We blijken niet de enigen te zijn met dit plan, al is het nog geen tien uur.

Samen met tientallen andere families bekijken we een reusachtige roos die is opgebouwd uit ontelbare Afrikaantjes. „Laten we een foto maken”, stelt Chen Yen voor. Voor de roos poseert zeker een tiental anderen en het is niet eenvoudig die allemaal buiten beeld te houden. „Jij kunt vandaag je Engels mooi oefenen”, zegt Chen Yen tegen haar dertienjarige nichtje. Het spichtige meisje komt naast me lopen. We wandelen naar de replica van de Eiffeltoren, geheel opgetrokken uit groen gras. „Do you like nature?”, vraagt het meisje bedeesd. Ze zit in de tweede klas van een middelbare school en maakt vaak tot ’s avonds laat huiswerk. „My mother is very strict”, zegt ze na enig puzzelen.

De rest van de familie houdt zich bezig met hun kleine prins. Grootmoeder geeft hem iets te drinken. Zijn tante trekt zijn T-shirt recht. Als hij moe wordt , hijst grootvader hem op zijn schouders. Zo trekken we langs beelden van een middeleeuws kasteel, een Griekse tempel, een tijger en natuurlijk een pandabeer. Maar het mooiste vinden we de theepot, geconstrueerd uit niet te identificeren plantjes, waar echt water uit komt dat een steeds dampende theekop vult. Het is nu dringen geblazen, vooral omdat veel bezoekers trapauto’s hebben gehuurd waarvoor plaats gemaakt moet worden. Benen raken geschampt, ellebogen worden ruw aangestoten en er vallen boze woorden. Wij storen ons daar niet aan. De kleine prins toornt boven ons op grootvaders schouders en hij imiteert een neerstortend vliegtuig.

Als we bij een kleine kermis komen, wil de kleine man onmiddellijk worden neergezet. Zijn keus valt op de botsautootjes waarvoor zich een lange rij heeft gevormd. Het nichtje krijgt de taak toegewezen plaats te nemen achter het stuur, chauffeurs moeten ouder zijn dan twaalf. Plichtsgetrouw botst ze tegen de andere autootjes op. Voor haar neefje is er een speelgoedmitrailleur waarmee hij tegenliggers kan neerknallen. Het avontuur valt in de smaak. „Nog een keer”, eist het ventje. Maar het nichtje wilt niet meer met hem mee, ze is misselijk geworden. Oma offert zich op. In haar traditioneel Chinees zijden jasje neemt ze plaats in het voertuigje. „Kijk hoe mijn neefje geniet”, zegt Chen Yen tevreden. Zij heeft zelf geen gezin, ze werkt zes dagen per week tot laat in de avond en haar neefje is haar alles. In haar flat staan foto's van hem op haar televisie en haar piano.

Rondom wandelen families die het spiegelbeeld lijken van ons groepje. Verschillende generaties ouderen en een kind op wie alle ogen gericht zijn. Verbeeld ik me, of is het werkelijk meestal een zoontje? „Do you like Chinese food?”, vraagt het nichtje braaf. Ze lijkt te aanvaarden dat haar neefje het middelpunt is. Nadat we nog beelden van cowboys hebben bewonderd die met onwillige stieren worstelen – geheel samengesteld uit miniatuur cactussen – komen we bij een plein met kraampjes. Chen Yen koopt twee waterschildpadjes voor haar neefje. In een plastic bekertje draagt hij ze voor zich uit.

Net voordat we de uitgang hebben bereikt, begint het te regenen. Als één man trekken alle familieleden hun paraplu, als militairen hun wapens. Alleen ik ben de mijne vergeten. Het nichtje moet de hare afstaan en duikt bij haar moeder onder het scherm. Chen Yen draagt nu haar neefje op haar rug, ze wordt op de voet gevolgd door haar ouders, daarna volgen wij. We lopen in de pas, als een klein leger, en dalen af in een catacombe.

Ondergronds blijkt ook een hele wereld te bestaan. We kunnen kiezen uit verschillende restaurants aan weerszijden van neonverlichte tunnels. „Laten we Latino eten proberen”, beslist Chen Yen. Mannen komen langs onze tafel met geroosterd vlees aan spiesen. Voor me op tafel staat het bekertje waarin de schildpadjes vruchteloos langs de wanden omhoog proberen te kruipen.

Dan is het tijd voor de terugtocht. Een paar haltes reizen we samen in een overvolle metrotrein. Dan moeten Chen Yen en ik verder met de bus. De juiste halte kunnen we met moeite vinden, want die wordt regelmatig verplaatst in verband met allerlei bouwprojecten. Nog geen twintig jaar geleden was dit een gebied vol dorpjes en groenteakkers.

Wanneer we over haar drempel stappen, rinkelt de telefoon. Het is haar moeder. Zij zijn al zeker een half uur thuis, dat is de voorsprong van de mensen die aan de metro wonen. „Volgend jaar is de nieuwe lijn klaar die langs mijn flat komt”, zegt Chen Yen. „Dan woon ik dichter bij mijn familie.” Ze laat zich neervallen op haar bank en zegt: „Mijn neefje vond de botsautootjes fantastisch, heeft hij gezegd. Het was een geweldige dag.”