Bindende herinneringen

Nostalgie versterkt sociale verbondenheid, zag psycholoog Constantine Sedikides. En de meeste opgehaalde herinneringen zijn positief: nostalgie is heel wat anders dan heimwee. Ellen de Bruin

Vroeger, niet eens zo heel lang geleden, was nostalgie een nauwelijks onderzochte emotie.

Tot ver in de twintigste eeuw dachten artsen en psychologen dat het een vorm van melancholie was, een aan depressie verwante ziekte, en dat er eigenlijk geen verschil was met heimwee. De Zwitserse arts die de term in 1688 introduceerde, Johannes Hofer, weet de stoornis aan ‘vibraties van dierlijke levenskrachten’ in dat deel van de hersenen waar zich nog achtergebleven indrukken van het vaderland aan vasthechtten.

Een collega van Hofer bedacht een halve eeuw later een andere verklaring: volgens hem moest de oorzaak worden gezocht in een acute verandering van atmosferische druk waardoor bloed direct vanuit het hart in de hersenen terechtkwam, waar het allerlei ‘sentimenten’ opriep. En dan waren er nog enkele legerartsen die volhielden dat nostalgie en heimwee werden veroorzaakt door rinkelende koebelletjes in de Alpen, die leidden tot schade aan het trommelvlies en de hersenen.

Constantine Sedikides, een in Griekenland geboren sociaal psycholoog die momenteel in Southampton woont en werkt, hield twee jaar geleden een lezing over nostalgie op een congres in Fort Worth, een zakenstadje in Texas. Ik was erbij. „Mooi verhaal”, hoorde ik zijn collega’s na afloop zeggen. „Dank je, ik voel me er nu al nostalgisch over”, grapte hij terug.

Sedikides was destijds nog maar net begonnen met zijn nieuwe onderzoekslijn naar nostalgie. De eerste resultaten suggereerden dat nostalgie duidelijk verschilde van heimwee, dat het een ambivalente emotie was, en dat het uiteindelijk goed was voor mensen om zich nostalgisch te voelen, omdat het hun gevoel van sociale verbondenheid versterkte.

Ik herinner me dat ik na afloop een biertje met hem heb gedronken op een terras in de brandende zon, en dat hij dat verder uitlegde. Heimwee kan echt een probleem zijn voor mensen, maar bij nostalgie, zei Sedikides, gaat het om het koesteren van gebeurtenissen in het verleden, meestal gebeurtenissen die je met anderen hebt beleefd. Daarom heeft het zo’n positief effect.

In zijn onderzoek bracht hij mensen in een nostalgische stemming, vertelde hij, en voor de zekerheid – zo lang geleden was het nog niet dat nostalgie gelijkgesteld werd aan depressie – had hij een klinisch psycholoog achter de hand. Maar dat bleek niet nodig. Sommige deelnemers kwamen de onderzoekers na afloop zelfs bedanken, omdat ze het zo prettig hadden gevonden.

Ik ging na dat congres vijf weken in mijn eentje door de Verenigde Staten reizen, en elke keer als ik mijn geliefden miste – als je in Amerika bent gebeurt dat vooral ‘s avonds, als je hen niet kunt bellen – dacht ik aan dit onderzoek. Koester je herinneringen. Het werkte! Nog nooit zo weinig heimwee gehad. Maar ik mocht pas over zijn onderzoek schrijven, had Sedikides gezegd, als het gepubliceerd was. Want zo lang zijn onderzoek niet in peer review was geweest, dus voor publicatie door collega’s was gelezen, kon hij wel zoveel beweren, vond hij zelf.

Nu begint de stroom van nostalgiepublicaties op gang te komen. Samen met zijn collega’s Tim Wildschut en Clay Routledge (ook uit Southampton) en met Jamie Arndt (uit Missouri) publiceert Sedikides zijn eerste onderzoeksresultaten, deze maand in Journal of Personality and Social Psychology en binnenkort in Journal of Experimental Social Psychology en een aantal sociaalpsychologische overzichtswerken. Tijd voor een interview dus, ditmaal per telefoon.

Sedikides en zijn collega’s schrijven in hun artikelen dat nostalgie een complexe emotie is met zowel positieve als negatieve elementen, maar dat nostalgisch herinneringen ophalen uiteindelijk goed is voor het humeur. Mensen voelen zich sterker verbonden met anderen na een nostalgische bui, en ze hebben een sterker gevoel van continuïteit in hun leven. Ook zijn ze zelfverzekerder en blijkt nostalgie te helpen tegen existentiële angsten – hoe nostalgischer mensen zijn, des te meer ervaren ze hun leven als zinvol en des te minder hoeven ze aan de dood te denken. Mensen worden dan ook vooral nostalgisch, schrijven Sedikides en zijn collega’s, als ze zich niet zo goed voelen en een beetje verdrietig of eenzaam zijn.

Waarom zijn mensen nu eigenlijk zo massaal nostalgisch? Terugkijken is sinds de jaren negentig heel populair, met nostalgische tv-programma’s als ‘I love the 80s’, en mensen lijken er nog steeds geen genoeg van te krijgen. Hoe komt dat?

“Ik denk dat de wereld momenteel erg onzeker is. De samenleving verandert zo snel, dat veroorzaakt onzekerheid bij mensen. Mensen kunnen tegenwoordig scheiden en een nieuwe partner zoeken, zichzelf telkens opnieuw uitvinden, een nieuw leven beginnen – en dat op een schaal die nog nooit eerder in de geschiedenis is voorgekomen. Die toegenomen keuzevrijheid veroorzaakt zoveel onzekerheid in het dagelijks leven dat mensen zich vragen gaan stellen over zichzelf, wie ze zijn. In dat proces kan nostalgie helpen.”

Maar dat is toch niet nieuw, dat mensen zich existentiële vragen over zichzelf stellen?

“Nee, en nostalgie is ook geen nieuw verschijnsel. Ik denk dat mensen dat een paar duizend jaar geleden op dezelfde manier hebben ervaren als nu. Ik denk dat nostalgie bestaat sinds we in staat zijn om op een symbolische manier over onszelf na te denken, en over onze toekomst. Sinds we onze doden begraven misschien. Maar het dagelijks leven is nu doordrongen van onzekerheid. Daardoor is het nu ook de tijd om er op een wetenschappelijke manier naar te kijken. In de sociologie zie je het ook. In de jaren vijftig, een heel saai decennium, onderzochten sociologen de oorzaken van maatschappelijke stabiliteit – dat zou nu heel ouderwets zijn, nu onderzoeken ze verandering.”

Sedikides liet mensen hun nostalgische herinneringen opschrijven en analyseerde autobiografische verhalen uit een Engelstalig populair tijdschrift, Nostalgia. Dan blijkt dat ongeveer twee derde van de nostalgische herinneringen van mensen ‘goed afloopt’ (bijvoorbeeld ‘ik was van te voren heel nerveus, maar ik ben blij dat ik het gedaan heb’) en een derde slecht (‘ik had het altijd zo leuk met mijn opa en ik heb nooit afscheid kunnen nemen’).

Zijn er twee soorten nostalgie, een goede en een slechte?

“Nee, ik zie het als één emotie, maar wel een die ambivalent is. Alle nostalgische episodes zijn zowel positief als negatief, want je herinnert je op een sentimentele manier een prettige gebeurtenis waarvan je je ook realiseert dat die voorgoed voorbij is. Daar moet dus enig verdriet bij zitten. En uiteindelijk bevatten ook de episodes die ‘slecht aflopen’ nog twee keer zoveel positieve als negatieve emoties.”

Steeds meer sociaal psychologen schrijven boeken over hoe een mens gelukkig moet worden. Kunnen we van u een boek verwachten over genezing van nostalgie, de Nostalgia Cure?

“Dat denk ik niet, al zie ik wel dat ons onderzoek implicaties op dat vlak heeft. Ik kan me ook wel voorstellen dat iemand een therapeutische techniek ontwikkelt om onder begeleiding nostalgie te bedrijven – misschien is een klinisch psycholoog erin geïnteresseerd om dat te doen, ik heb daar zelf de vaardigheden niet voor.

“En ik wil niet kritisch overkomen, maar ik denk dat de behoefte aan individuele persoonlijke groei echt iets van deze tijd is. Zonder mezelf te promoten, zie ik nostalgie toch als een substantiëlere emotie dan de la-la-la happy-go-lucky happiness die zo in de mode is. Nostalgie dwingt je om jezelf en je verleden onder ogen te zien, om niet weg te rennen van je ‘demonen’ maar er de strijd mee aan te gaan, om jezelf te aarden en je te realiseren waar je vandaan komt. Het versterkt ook je sociale relaties – de meeste nostalgische episodes gaan over jezelf in relatie tot anderen. En je praat er ook over met anderen: het ‘theater van de nostalgie’, dat is waar het gebeurt. Dat is dus niet hetzelfde als individualistische behoeftebevrediging. Het is in feite beter, omdat een gevoel van sociale verbondenheid goed is voor mensen.”

In uw onderzoek laat u mensen in hun eentje herinneringen ophalen. Is dat dan niet te kunstmatig?

“Het is één manier om hen nostalgisch te maken. Maar ik wil zeker nog graag mensen met hun vrienden in het lab uitnodigen om samen herinneringen op te halen. En ik zou graag dagboekstudies doen om naar nostalgie in het dagelijks leven te kijken. Maar we hebben nog zoveel ideeën, en we hebben nog ongeveer veertig afgeronde experimenten liggen waarvan we de data nog moeten opschrijven en publiceren.

“Eén onderzoekslijn is in dit verband bijvoorbeeld interessant: naar nostalgie en narcisme, ziekelijke zelfverheerlijking. Ongeveer vijf procent van de mensen is nostalgisch over een gebeurtenis die ze in hun eentje hebben beleefd. Daardoor vroegen we ons af of die mensen narcistisch zijn en of nostalgie voor hen anders werkt. We denken dat hun nostalgische herinneringen minder mensen bevatten en meer met hun eigen individuele zelfvertrouwen te maken hebben. Narcisten zijn eigenlijk heel vreemde mensen: ze hechten minder waarde aan relaties, maar ze zijn wel gelukkiger. Dat is totaal in strijd met de normale theorie.”

Aan welke onderzoekslijnen werkt u nog meer?

“Narcisme is een van de drie karaktereigenschappen die we nu onderzoeken; we kijken ook nog naar emotionele stabiliteit en hechtingsstijl – we willen weten of emotioneel stabiele mensen en mensen die zich veilig voelen in relaties meer aan nostalgie hebben of juist niet. Verder willen we bijvoorbeeld weten of het goed is voor een liefdesrelatie als de partners regelmatig samen nostalgisch herinneringen ophalen, of ze dan tevredener zijn met de relatie en langer bij elkaar blijven. We onderzoeken ook of nostalgie andere relaties kan versterken, bijvoorbeeld tussen ouders en kinderen, of tussen vrienden. En we zijn bezig met iets dat we ‘organisatie-nostalgie’ noemen, met de vraag of herinneringen ophalen over een bedrijf de trouw aan dat bedrijf en de arbeidstevredenheid kan vergroten.

“En tot slot zijn we bezig met leeftijd: we denken dat oudere mensen zich op een gegeven moment realiseren dat ze toch niet genoeg tijd meer hebben om alles te doen wat ze willen en dat ze dan gaan terugkijken om betekenis te zoeken in hun leven. Dat betekent dat ze vaker nostalgisch zouden zijn en dat het voor ouderen sterker werkt.”

Het doet me denken aan een van de conclusies van het artikel van Sedikides en collega’s dat binnenkort in Journal of Experimental Social Psychology verschijnt: wij zijn de enige diersoort die zich bewust is van de tijd en daardoor van de eigen dood, schrijven de psychologen daarin, maar we zijn ook de enige diersoort die zichzelf kan troosten door aan het verleden te denken. Niet omdat vroeger alles beter was, maar omdat het mogelijk is om de goede dingen uit het verleden koesterend dichtbij te houden en er nog een keer van te genieten.