Aanhoudend wisselvallig Na de verkiezingen

De kiezers hebben zich afgezet tegen de politiek van de jaren negentig. Partijen die elkaars tegenpolen lijken, hebben geprofiteerd. Een minderheidskabinet ligt misschien het meeste voor de hand.

In het midden van de jaren negentig verklaarde toenmalig VVD-leider Frits Bolkestein de christen-democratie op sterven na dood. ‘Normen en waarden’, ‘het gezin’, de anti-mondiale sfeer van het CDA – het riekte naar die ouderwetse jaren van verzuiling, vond Bolkestein. De toekomst was aan een ontzuilde politiek, met een overheid die het land bestuurt. Verder niets.

Toenmalig premier Wim Kok (PvdA) deed een jaar later – het eerste paarse kabinet van PvdA, VVD en D66 was net aangetreden – afstand van de „ideologische veren” van zijn partij. In de politiek zouden vanaf dan nog maar twee stromingen dominant zijn: een gematigde sociaal-democratie en een afgezwakt liberalisme. In de praktijk zouden ze het vaak wel ongeveer met elkaar eens zijn.

En nu? De uitslag van de Tweede-Kamerverkiezingen wordt door buitenlandse kranten nu al ‘historisch’ genoemd. De kiezer heeft deze week afgerekend met alle middenpartijen, waarbij alleen het CDA min of meer buiten schot bleef. De paarse partijen hebben het hardst geleden. Samen komen ze op nog maar 58 zetels. Radicalere broertjes hebben gewonnen: de ChristenUnie won goeddeels ten koste van het CDA, de Partij voor de Vrijheid van Geert Wilders gedeeltelijk ten koste van de VVD, de SP ten koste van de PvdA.

De uitslag van de Tweede-Kamerverkiezingen is te zien als een verlate afrekening met de jaren van Paars (1994-2002), zegt historicus Gerrit Voerman (RuG), directeur van het Documentatiecentrum voor Nederlandse Politieke Partijen. „Toen Bolkestein en Kok hun uitspraken deden, was de Berlijnse muur net vijf jaar gevallen. De politiek wilde af van ideologieën en staatspolitiek. Een vrijzinnig, pragmatisch liberalisme werd door Paars omarmd.” Van dat gevoel, zegt Voerman, heeft de kiezer van 22 november 2006 zijn bekomst. „En dan gaan in de politiek middelpuntvliedende krachten werken.”

Het electoraat, zegt hoogleraar politicologie Rinus van Schendelen, verbonden aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, „heeft zich inderdaad weer van zijn wisselvallige kant laten zien. De kiezer is al een paar jaar wisselvallig”. „We leven nog steeds in de kiezerscultuur van 2002, toen Pim Fortuyn voor een soortgelijke omslag zorgde. De LPF behaalde toen evenveel zetels als de SP nu. De verliezers zijn opnieuw alle partijen die de afgelopen tien jaar regeringverantwoordelijkheid hebben gedragen, van PvdA tot VVD, en van CDA tot D66. De winnaars hebben met elkaar gemeen dat ze nooit geregeerd hebben. De rebellen hebben opnieuw gewonnen.”

Verloren hebben de partijen die voortborduren op ideeën van de jaren negentig, libertijnse partijen als D66, GroenLinks, VVD en, in iets mindere mate, PvdA. Het zijn partijen die de mens als een individu zien, dat voor zichzelf opkomt en maximale vrijheid verlangt.

Van de verliezers had vooral de PvdA op meer stemmen gehoopt. De kiezer had immers toch genoeg van het kabinet-Balkenende, dat zich met een combinatie van een opgeheven vingertje en een rigoureus hervormingsbeleid onmogelijk had gemaakt bij het electoraat? Dat bleek een vergissing.

Dat de sociaal-democraten deze week negen Kamerzetels verloren, kwam hard aan. Jos de Beus, hoogleraar politicologie aan de Universiteit van Amsterdam, is als ideoloog altijd verbonden geweest aan de PvdA. In 1994 was hij zelfs voorzitter van de programmacommissie. Dit jaar heeft hij voor het eerst CDA gestemd. Hij voelt zich „vervreemd” van de PvdA, zegt hij. Voor de hervormingsagenda van de afgelopen kabinetten-Balkenende mogen de sociaal-democraten best wat meer waardering hebben, „in plaats van zo bot oppositie te voeren”. De Beus blijft nog wel lid. „Dat blijf ik in afwachting van de uitkomst van de interne discussie over de koers van de partij, die hopelijk zal losbranden.”

In deze krant voorspelde Jos de Beus onlangs dat de verkiezingen wel eens het definitieve „afscheid van het progressieve levensgevoel en rechtsbewustzijn uit de jaren zestig en zeventig” kunnen betekenen. De Beus schreef dat veel maatschappelijke onvrede zich heeft verplaatst naar „het weldenkende electoraat”. Dat merkte hij op zijn universiteit. Die groep voelt zich in vrij hoge mate „bedreigd door de opkomst van een getatoeëerde klasse en haar toegenomen beslag op de publieke ruimte en de commercie. Het lijkt alsof de bovenlaag zich vandaag even vervreemd waant van de democratie als de achterban van Fortuyn gisteren.”

Wie de kiezer van 22 november wil begrijpen, doet er goed aan eens naar het resultaat van het CDA te kijken, zegt onderzoeker Martijn Lampert van Bureau Motivaction. Dit bureau deed in opdracht van het CDA en GroenLinks onderzoek naar het gedrag en de wensen van kiezers. Onderzoeker Martijn Lampert adviseerde het CDA-campagneteam zich op een doelgroep te concentreren die niet tot de traditionele achterban behoort van de christen-democraten. „De traditionele achterban van het CDA is een ideologisch sterk gekleurde groep mensen, met veel gevoel voor autoriteit. Onze analyse was dat het CDA zich moest richten op een andere groep, de moderne burgerij. Dat zijn mensen die niet ideologisch ingesteld zijn, gericht zijn op hun baan en hun gezin, cultureel behoudend, soms wat angstig over de boze buitenwereld. Die mensen zoeken zekerheid, maar zijn gevoelig voor hypes.”

En die mensen kijken naar RTL Boulevard. Op aanraden van Motivaction verscheen premier Balkenende als gasthoofdredacteur in het goed bekeken infotainment-programma. De onderwerpen die hij daar behandelde, waren goed doordacht. Motivaction zocht met het CDA uit welke programmapunten aansloten bij de nieuwe doelgroep – want door hun relatieve onbekendheid met ideologieën zijn ze vooral in concrete punten geïnteresseerd. Lampert: „Het ging daarom over fatsoen, maatschappelijke stages, trots zijn op Nederland, minder seks en geweld op televisie en meer respect. Balkenende zei ook dat hij van snelle auto’s houdt. Dat sluit aan bij de interesses van de doelgroep. Aangeraden werd die standpunten vaak te herhalen. Daar win je de verkiezingen mee.”

Ook de SP van Jan Marijnissen had succes bij deze groep, zegt Lampert. „Marijnissen is een man van het volk, iemand die zijn links-conservatieve verhaal met passie brengt. Zijn campagne was bovendien uitgesproken positief, dat is door grote groepen gewaardeerd.”

Wouter Bos deed weer te veel denken aan de politici uit de jaren negentig. Een tikje libertair, geïnspireerd door Bill Clinton de vrijheid van mensen benadrukkend, openhartig over zijn onzekerheid als leider. Lampert: „Iemand die zegt dat hij zich graag laat overtuigen, werd in de jaren van Paars door het electoraat gewaardeerd. Nu niet meer.”

Hoe verschillend de ideeën van Jan Marijnissen, Geert Wilders, André Rouvoet en Jan Peter Balkenende ook zijn, ze hebben volgens Rinus van Schendelen gemeen dat ze in hetzelfde „cluster van politieke waarden” zitten. „Nederland staat centraal, Europa of de wereld niet. Ze leggen steeds de nadruk op zorg, geborgenheid en veiligheid. En ze praten veel over sociale voorzieningen, scholen, ziekenhuizen, de ouderen, de jonkies.”

Het zijn, niet toevallig, de trefwoorden waarmee Pim Fortuyn in mei 2002 postuum een enorme verkiezingsoverwinning behaalde. Van Schendelen: „Wie alleen maar zegt dat de polarisatie erger is geworden, denkt nog steeds in de links/rechts-verhoudingen van de vorige eeuw. Er is ook iets anders aan de hand in Nederland. Ogenschijnlijke tegenpolen raken elkaar op het terrein van immateriële zaken. De storm die Pim Fortuyn veroorzaakte, is nog lang niet gaan liggen, terwijl iedereen deze campagne deed alsof er niets meer aan de hand was.”

Integendeel. Die storm steekt af en toe de kop op. Vorig jaar wees de Nederlandse bevolking in een referendum de Europese Grondwet af. Het werd op het Binnenhof gezien als een signaal tegen een te pro-Europese politiek. CDA, PvdA, VVD, GroenLinks en D66 waren voor de Grondwet, alle grote winnaars van nu waren tegen. Eén keer kreeg de PvdA de wind zowaar in de rug. Dat was in maart van dit jaar, bij de gemeenteraadsverkiezingen.

Gerrit Voerman: „Dat was ook een stem tégen het kabinet-Balkenende. De VVD en het CDA hadden stevig hervormd en legden de nadruk sterk op de eigen verantwoordelijkheid van burgers. Dat is verkeerd gevallen. Het deed bij veel kiezers denken aan het individualistische liberalisme. De andere kant van het CDA, het gemeenschapsdenken, kwam slecht over. De PvdA speelde daar handig op in.”

Welke coalitie doet recht aan deze verkiezingsuitslag? Moeten de winnaars gaan samenwerken met de gevestigde orde? Moeten ze met elkaar verder? Ze kunnen het nog zo eens zijn over Europa of zorg voor ouderen, er is volgens Gerrit Voerman geen kans dat Marijnissen en Wilders in eenzelfde kabinet gaan zitten. Een rechtse coalitie is onmogelijk, omdat de VVD niet zal willen regeren. Voerman: „De liberalen hebben, met korte tussenpozen, vanaf 1977 onafgebroken geregeerd. Nu zitten ze weer op het niveau van 1972. Ze zijn toe aan een periode van bezinning.”

Jos de Beus zegt dat de SP als grote winnaar niet te negeren is. Balkenende zal moeten praten met Marijnissen. „Zo’n kabinet kan er alleen komen als ook de PvdA meedoet. De PvdA heeft al gezegd daar voor te voelen, maar het CDA zal zich klemgezet voelen. PvdA en SP hebben campagne gevoerd door zich af te zetten tegen het kabinet.”

Volgens De Beus zal de komende week een rituele dans tussen CDA en SP volgen. „Ze gaan zoeken naar samenwerking, maar zullen tot de conclusie komen dat ze te veel programmatische verschillen hebben. Balkenende wil een kabinet van rust en zekerheid, Marijnissen wil maatregelen van de laatste jaren terugdraaien. Dat gaat niet samen.”

Daarna ligt het voor de hand dat CDA en PvdA, aangevuld met de ChristenUnie als bemiddelende partij, een kabinet gaan vormen. De Beus: „Maar daar is tijd voor nodig. Dat kan pas als CDA en PvdA weten dat het echt niet anders kan. Het zal heel moeilijk worden. Er is gebrek aan vertrouwen tussen Bos en Balkenende, de partijen hebben hun achterban tegen elkaar opgestookt en de publieke opinie is bang voor een vechtkabinet dat niets tot stand brengt.”

Rinus van Schendelen heeft ervaring met ogenschijnlijk onmogelijke formaties. In maart 2002 was hij formateur van een nieuw college in Rotterdam, nadat Leefbaar Rotterdam van Pim Fortuyn bij de gemeenteraadsverkiezingen de PvdA had weggevaagd. Na een harde campagne smeedden Leefbaar Rotterdam, CDA en VVD onder leiding van Van Schendelen vrij vlot een coalitie. „De les is dat ieder verschil overbrugbaar is”, zegt hij. „Maar daarvoor is wel nodig dat partijen zich constructief opstellen. In Rotterdam hielden we de sfeer goed en zochten we naar de overeenkomsten, de partijen legden niet meteen hun breekpunten op tafel. We keken naar de manier waarop Van Agt en Wiegel ooit samen een kabinet smeedden: zij rekenden elkaar rijk.”

Dat tijdens het televisiedebat, op verkiezingsnacht, bleek dat niemand met de Partij voor de Vrijheid van Geert Wilders wil praten, is volgens hem daarom „onverstandig”. „Je kunt toch op zijn minst met hem gaan praten, dan blijkt vanzelf wel waar het schip strandt. Het vooraf uitsluiten van partijen is erg on-Nederlands en in deze fase niet constructief. Alleen Hans Janmaat en boer Koekkoek overkwam dit eerder.”

Jan Peter Balkenende moet het voortouw nemen in de formatie van een nieuwe coalitie. Hij heeft zijn karakter daarin niet erg mee, zegt Gerrit Voerman. „Voor Balkenende is politiek een serieuze zaak. Hij mist de relativering van Van Agt of het pragmatisme van Ruud Lubbers. Zulke eigenschappen zijn nodig om CDA en PvdA tot elkaar te brengen.”

Het wantrouwen tussen beide partijen zit diep, door ervaringen uit het verleden. Al in de jaren vijftig was er volgens Voerman grote animositeit tussen de katholieke KVP – een voorganger van het CDA – en de PvdA. De KVP verspreidde posters met brandende katholieke gebouwen: „Als de rode haan victorie kraait.” Voerman: „Coalities tussen sociaal-democraten en confessionelen verlopen meestal stroef. In de jaren zeventig probeerde Joop den Uyl de confessionelen uit elkaar te spelen, dat heeft de verhoudingen sterk beïnvloed.”

Over de vlotte vorming van een coalitie is Van Schendelen daarom somber. „CDA en PvdA zullen, om een meerderheidskabinet te krijgen, moeten samenwerken. Maar Bos en Balkenende zijn geen Van Agt en Wiegel. Ze zijn niet katholiek genoeg. Het zijn gereformeerde jongens, erop gericht de tegenstander te overtuigen van hun gelijk. Aan die instelling is het te wijten dat het niets werd met de formatie van een CDA-PvdA-kabinet in 2003.”

Het is ook de vraag of een kabinet met CDA en PvdA, aangevuld met de ChristenUnie, recht doet aan de verkiezingsuitslag. De Partij voor de Vrijheid en de SP, toch de grote winnaars, staan dan met lege handen. Van Schendelen vindt het tijd worden dat partijen eens gaan nadenken over een minderheidscoalitie. „In bijvoorbeeld Denemarken werkt dat al vijfentwintig jaar goed. Het is democratischer, want coalities moeten in een openbaar debat steun verwerven voor hun plannen.” Het zou de kans bieden om bijvoorbeeld een rechts kabinet met CDA, VVD en PVV te formeren. Of, als dat mislukt, een links kabinet van PvdA, SP en GroenLinks. Van Schendelen: „Dat doet meer recht aan het signaal van de kiezer van afgelopen woensdag.”