Wil ik dit, kan ik dit?

Violiste Liza Ferschtman (27) krijgt vanavond de Nederlandse Muziekprijs uitgereikt. „Ik was altijd dat meisje bij wie het technisch nog niet helemaal lekker liep.”

Liza Ferschtman foto Vincent Mentzel Liza Ferschtman,violiste. foto VINCENT MENTZEL/NRCH ==F/C== Bos en Duin, 19 juli 2006 Mentzel, Vincent

De verf is net niet meer nat. Liza Ferschtman is trots op haar eerste eigen huis in Amsterdam, aan een park in de niet zo populaire wijk De Baarsjes. In de tuin staan een theehuisje en een schuurtje. „Het theehuisje is kantoor, voor als ik ooit wat georganiseerder ben”, wijst ze. „De schuur, daar studeer ik. Het is klein, dat vind ik prettig. Geen afleiding. Maar ik moet het beter isoleren. Laatst speelde ik met het raampje open. Toen kreeg ik een briefje in de bus: ‘Beste buurvrouw, toonladders zijn toch niet helemaal ons ding.’ ”

Huub van Dael, juryvoorzitter van de Nederlandse Muziekprijs, hield Ferschtman al een tijdje in de gaten. Vier jaar geleden, na een concert waarin Ferschtman bij het Reizend Muziekgezelschap de eerste viool speelde in Mozarts Strijkkwintet KV 516, achtte hij de tijd rijp. „Ga nu maar auditeren voor de Muziekprijs”, adviseerde hij. Nederlandse musici van onder de dertig (instrumentalisten) of vijfendertig jaar (zangers) mogen zich éénmaal aanmelden, en – als ze worden aangenomen – gedurende twee of drie jaar op kosten van de staat aan hun menselijke en muzikale ontwikkeling werken door cursussen en lessen naar eigen keuze te volgen.

Van alle kandidaten krijgt niet iedereen de prijs uiteindelijk ook toegekend. Ferschtman wel. Zij ontvangt hem vanavond, op een concert met het Rotterdams Philharmonisch Orkest waarin ze soleert in het Vioolconcert van Sibelius. „Het mooie van de prijs is het traject ernaartoe”, zegt Ferschtman. „Als ik buitenlandse collega’s erover vertel, worden ze bleek van afgunst. Maar de prijs zelf, och, dat is alleen maar een lelijk beeldje, schijnt het.”

Liza Ferschtman (27) is al tijden een veelgeziene verschijning op de Nederlandse podia. Als 17-jarige soleerde ze voor het eerst bij het Rotterdams Philharmonisch Orkest. NRC Handelsblad schreef daarover: „Er schuilt in haar mogelijk een groot soliste, maar het komt er vooralsnog niet helemaal uit. Zij is nog wat te bedeesd.”

Die reputatie kleefde ook nadien nog aan haar. „Ik was altijd het meisje dat wel heel muzikaal is, maar bij wie het technisch nog niet helemaal lekker liep”, zegt ze met een lach. „Des te verbaasder was ik toen ik hoorde wat de reactie was op mijn auditie voor de Muziekprijs. De jury nam me aan, maar met de kanttekening dat ik teveel bezig was met ‘presteren’. Dat klopte, want ik wilde graag aangenomen worden. Maar het leerdoel ‘maak je vrijer en ga muziek maken’ was eigenlijk na een week al bereikt, omdat ik toen weer ontspannen kon spelen.”

Ferschtman is de dochter

van cellist Dmitri Ferschtman en pianiste Mila Baslavskaja, beiden actief als uitvoerend musicus en conservatoriumdocent. De kiekjes op haar website schetsen een beeld van een Hollandse jeugd in een villaatje in Bosch en Duin. In Ferschtmans geboortejaar, 1979, woonden haar ouders echter pas een jaar in Nederland. Ze hoorden tot de eerste golf Russische immigranten, vertelt Ferschtman. „Eind jaren zeventig kregen veel Russische joden een visum voor Israël, waarmee ze ook makkelijk naar West-Europa konden uitwijken. Mijn ouders kozen voor Nederland omdat ze wisten hoe het muziekleven hier in elkaar zat. Mijn vader heeft hier ook in zijn Russische tijd vaak gespeeld met zijn Glinka Kwartet.”

Een Russisch gezin bleef het, ook in Nederland. „We waren vreemde eenden in het kakdorp Bosch en Duin. Oud geld, nieuw geld, het zei en zegt ons niks. De bos rood haar van mijn moeder was een bezienswaardigheid. Ik sprak überhaupt geen Nederlands tot ik naar de kleuterschool ging. De vrienden van mijn ouders waren veelal andere Russische immigrantmusici. Nog steeds is Russisch thuis de voertaal, doorspekt met onvertaalbare begrippen als ‘lekker’ en ‘gezellig’. Als ik iemand meeneem naar huis, moet ik me dwingen Nederlands te spreken. Dan voelt het alsof mijn ouders en zus halve vreemden zijn.”

Onder de huisvrienden waren veel musici. Violist Philip Hirschhorn was er elk weekend. Voor Liza Ferschtman, die vanaf haar vijfde ook viool speelde, was hij het eerste voorbeeld. „Dat intense, die zangerigheid van zijn geluid”, herinnert ze zich. „En hij behield zijn eigen klank ook als hij iets op mijn halve viooltje voorspeelde. Later, als 14- of 15-jarige, leerde hij me technische foefjes, die essentieel zijn voor het detail en de schoonheid van de klank.”

Ferschtman bracht nog weinig cd’s uit; haar zoektocht naar de schoonheid van de klank kan pas worden meebeleefd als die eigenlijk al is afgerond. Een nieuwe opname op Challenge Classics verschijnt dit voorjaar. Maar ook op de oude recital-cd uit 2004 bezit haar spel al een imponerende levendigheid, muzikaliteit en – opvallend – donkerheid van timbre. „Eigenlijk houd ik ook meer van het geluid van de cello dan van viool”, vertelt ze. „Maar ik ben vrij klein van stuk, dus ik heb de cello nooit serieus geambieerd. Altviool leek me ooit een mooie middenweg. Maar iedereen zei: „Jij?! Je bent juist een typische violiste.” En dat is óók waar. Ik ben een uitgesproken type. Ik leid graag, vind het prettig dat ik in kamermuziek kan bepalen wat en hoe.”

Toch heeft haar liefde

voor donkere klanken ook op haar vioolspel een belangrijke invloed gehad, denkt Ferschtman. „Ook op de viool streef ik naar die altige warmte. Ik speelde jarenlang op een Storioni met een warm, donker geluid. Dat ‘zielvolle’ ben ik echt als mijn eigen klank gaan beschouwen. Maar nu ik op proef een Del Jesu bespeel, merk ik dat die klank ook van die Storioni was. En moet ik weer opnieuw werken aan het kennismaken en het me eigen maken van een instrument.

Toen Ferschtman als 9-jarige toetrad tot de jong talentklas van het Koninklijk Conservatorium in Den Haag, speelde ze ‘niet meer dan aardig’. „Mijn ouders voerden wat zachte druk uit. ‘Kun je niet wat later bij dat vriendinnetje gaan spelen of je viool meenemen?’ Mijn zus was nog strenger. Als ik klaar was met studeren, riep ze: ‘O ja? Kan het al in het Concertgebouw?’ Of ze pakte mijn boeken af, omdat ik anders een uur op de wc ging zitten lezen. Ik denk dat ze herkende dat ik ‘het’ had en ze zich beter dan ik realiseerde dat je moet studeren om als musicus iets te bereiken. Zij speelde zelf piano, maar is gestopt omdat ze geen muzikale striptease op het podium wilde plegen, zoals ze dat formuleerde. Kennelijk wilde ik dat wel. Op mijn dertiende deed ik mee aan het Prinses Christina Concours. Daar hoorde ik meisjes spelen die beter waren dan ik. In de auto heb ik erom gehuild.”

Ferschtman praat afstandelijk over haar beweegredenen. Twijfel over haar eigen spel is nog lang een terugkerende plaag geweest, zegt ze. Ook toen ze als 14-jarige de Iordens Viooldagen won en leerling werd van Herman Krebbers. Naast Krebbers was er docente Alla Kim voor de basis en de intensieve begeleiding. In de periode voorafgaand aan het Oskar Back Concours van 1997 woonde ze zelfs bij Kim in. „Die vorm van lesgeven, die totale betrokkenheid van een docent bij het wel en wee van zijn leerling, ben ik daarna steeds blijven missen. Pas op mijn 23ste hervond ik die geborgenheid bij David Takeno aan de Guildhall School of Music. Als ik nu bij hem langsga om iets belangrijks door te spelen, logeer ik bij hem en dan zorgt hij voor me. Ik ben iemand die zulke steun en zorg nodig heeft. Mensen bij wie ik me vrij en zeker genoeg voel om te durven twijfelen, zonder meteen in zak en as te raken.” Achteraf bezien was dat ook de grootste verworvenheid van de Nederlandse Muziekprijs, vult ze aan. Ferschtman kreeg Huub van Dael als mentor. „Om mee te sparren, om plannen mee te maken. Die rol werd altijd vervuld door mijn ouders. Huub is positief, maar kritisch. Als ik knettervals speel, zal hij dat niet omfloerst zeggen.”

Het waren allemaal punten die haar gesterkt hebben, zegt ze. „Maar ik blijf een aartstwijfelaar. Wil ik dit, kan ik dit? Die ups en downs waren tot vier jaar geleden zo erg dat ik soms mijn viool aan de wilgen wilde hangen. Maar nu weet ik ook dat die twijfel overgaat. Mijn angst om door de mand te vallen, is minder geworden. Ik ben stabieler geworden en mijn spel ook.”

Komende zomer volgt

Ferschtman Isabelle van Keulen op als artistiek leider van het Delft Chamber Music Festival. „Ik heb net het programma ingeleverd. Een deel van Isabelle’s contacten neem ik over, maar ik voeg daar musici van mijn eigen generatie die ik bewonder aan toe, omdat ik wil dat ze gehoord worden. Dat is de luxe van het leiden van zo’n festival; dat je de collega’s die je bewondert een podium kunt bieden.”

Nu ze zelf leerling-af is, is Delft voorlopig het enige dat ze onderneemt buiten het uitvoeren van muziek. Met lesgeven wil ze wachten. „Wat ik nu doe kost al mijn energie. Ik lijk op mijn moeder. Ze is als lerares ontzettend intens, na elke les is ze helemaal op.”

Ferschtman wil de vergelijkbaar met haar collega en generatiegenote Janine Jansen niet aangaan, benadrukt ze. „Zij is totaal anders dan ik. Lichter, luchtiger. Anders dan ik een echt natuurtalent, van jongs af aan. Ik ben nog op zoek naar de balans. Hoeveel concerten kan ik instuderen, goed presteren en toch nog een leuk leven hebben? Hoe beter je je voelt, hoe meer zelfvertrouwen, hoe beter je concerten, hoe meer aanbiedingen, hoe meer je verdient, hoe meer vrijheid. Het is als musicus taboe over carrièreplanning te praten, want het gaat erom dat je muziek maakt, niet waar en wanneer. En dat vind ik ook echt. Maar die opwaartse spiraal – daar streef ik natuurlijk wel naar.”

Meer over Liza Ferschtman op www.lizaferschtman.com