Wie steen is blijft het lang

Piet Gerbrandy: Krang en zing. Contact, 67 blz. € 16,90

Een poëziecriticus die niet de ambitie heeft even dwingend te schrijven als de dichters die hij bespreekt, moet zijn mond houden. Die stelling poneert Piet Gerbrandy in zijn dit jaar verschenen essaybundel Omroepers van oproer. In recensies gaat het niet om ‘logos’, beweert hij, maar om ‘pathos’. Het gebruik van die termen verraadt onmiddellijk de classicus die Gerbrandy behalve dichter, criticus en essayist ook is. Als om dat te benadrukken is zijn vijfde dichtbundel, Krang en zing, gelardeerd met citaten uit de Georgica van Vergilius en de Carmina en Epistulae van Horatius. Opvallend is dat de v consequent als een u is gespeld. De classicus hecht aan tradities.

De dichter doet dat ook, maar slechts in formele zin. Elk van zijn gedichten is bestand tegen een klassieke retorische analyse, zoals hij die in zijn eigen recensies op andermans poëzie pleegt te richten. Maar hoe belangrijk vorm en structuur ook zijn, een beetje gedicht betekent ook wat. En het is juist die betekenis die pathos kan wekken. Moet wekken, zou Gerbrandy waarschijnlijk zelf beweren; maar doet zijn eigen poëzie dat wel?

Wie Krang en zing leest kan, meer nog dan bij de vorige bundels van Gerbrandy, niet zonder woordenboek. Alleen dit simpele feit al weerhoudt het gevoel. Bij eerste lezing van de bundel is er verbazing of zelfs ontzag voor de virtuositeit van dit woordgebak, maar de in- of beleving – als die al komt – is volstrekt secundair. Van grote hoogte werpt de dichter zijn donderschichten naar de lezer, en die moet van goeden huize komen wil hij de vaak wel erg autonome metaforen van Gerbrandy doorgronden. Hoe interpreteer je bijvoorbeeld de inzet van ‘Eer’?

Richtten waar ze hun krengen van meeuw

hagel kauw afschermden met beurkracht

van manschap hefboom taaie paarden

staande zullende stenen op

leien terrassen droegen hun duizenden wenden.

Eerden koelers van zilveren wellen

plagdekkers woldragende drogers van turf.

Dan ben je op de helft van het gedicht, en de tweede helft is navenant. Dit is het ‘duistere vers’ waarover Gerard Diels al in 1952 in Het ongerijmde betoogde dat je van een dichter geen communicatie moet verlangen. Wie het daarmee eens is zou kunnen stellen: Krang en zing is niet moeilijk te lezen, tenzij je de tekst wilt begrijpen.

Tot die kerk wil ik me, zeker met zo’n zwelgende organist als Gerbrandy, graag bekeren. Er zijn ook gedichten die zich wel of zelfs makkelijk laten openbreken, zoals ‘Loos’. ‘Wie steen is blijft het lang,’ luidt de prachtige openingszin en, al is er weer virtuoos woordgeweld, de volgende regels brengen je naar de dwingende slotzin ‘Steenman is een huis nu voor poppen en zaden’. Het is maar een voorbeeld; bij herlezing van de bundel zijn er steeds meer flonkeringen.

Was in De zwijgende man is niet bitter (2001) het deelwoord (lezende, slachtende, dood gaande) een leidraad, in Krang en zing heeft de gebiedende wijs die rol. Dat begint in het derde gedicht van de bundel, ‘Laaf’. Elk couplet daarvan opent met een imperatief: duld mij, u moet, tutoyeer, bewierook, laaf u, u moet niet, en bespaar mij. Her en der duikt die gebiedende wijs daarna weer op, als was het rijm. Wie doortuurt ontdekt hoe consequent de bundel ook anderszins is gecomponeerd. ‘Vliesvleugelzaad’, ‘Zandratten’, ‘Loofhout’, ‘Morgenzangen’ en ‘Dauwdoorhangen’ heten de afdelingen; en de titels daarvan zijn programmatisch ingesloten door de citaten van Vergilius en Horatius. ‘Dauwdoorhangen’ blijkt niet de titel van een nieuwe reeks, maar het afsluitdeksel van de bundel. In het voorgaande vers heeft Gerbrandy dan al afscheid genomen. ‘Hier houdt mijn zwijgplicht op […] Dit was het ga uw gang.’ Intussen relativeert de dichter zijn werk als ‘terecht onverkoopbaar’.

En daarmee zijn we bij de humor, die bij alle zwaarte allerminst ontbreekt. Gerbrandy neemt zijn orgelende toon ook zelf op de hak in ‘Blijf’. In het koppeldicht van dit vraag- en antwoordvers omspeelt hij zijn retoriek:

Wat beklop je dat geiten venster met beuker

van hardhout?

Ik roffel koorts om diepste boventonen.

Waarom zeg je de dingen zo raar vent?

De kiezel van mijn tandhaag hapt om zeng.

Waar liep je die blafkink op? Op

een duin in een wervel van distels.

Wie bracht je daar om het kaatsend dwaallicht te missen?

Zij ketste blende op het kruivend wier.

Volgen nog vijf coupletten, met als slotregel: ‘Ik borstel en vet in. Weersta het zout.’ Weerbarstige weerstand dus. Daar maak je weinig vrienden mee. Gerbrandy is dan ook geen allemansdichter; maar de labyrintische rijkdom van zijn rap groeiend oeuvre verdient, al dan niet kritisch, zeker pathos.