Weg met de leegte

Geen orde, geen structuur, geen helderheid – de nieuwe generatie schilders kiest juist voor veel en vol. Ze tonen wat in de fotografische wereld verborgen blijft. En ze zijn internationaal georiënteerd.

Wie z’n tentoonstelling Schilderkunst Nederland – Deutschland Malerei noemt, lijkt een voetbalwedstrijd tussen schilders te willen organiseren. Dat snijdt weinig hout; als er voor deze expositie in het Haagse GEM een titel met verwijzingen naar landsaard en voetbal had moeten worden gekozen, was ‘Alle Menschen werden Brüder’ een stuk beter geweest, al is het maar omdat de deelnemers in paren worden voorgesteld. Overigens is ook die paring nogal gezocht. Het veroordeelt kunstenaars tot elkaar die alleen oppervlakkig iets gemeen hebben. En soms zelfs dat niet eens. Je vraagt je af waarom de samenstellers Wim van Krimpen en Jhim Lamoree de schilderijen niet gewoon smaakvol en confronterend door elkaar hebben gehangen.

Toch is SNDM een mooie, misschien zelfs wel belangrijke tentoonstelling. Niet zozeer omdat het goed is dat er weer eens zes aanstormende schilders (Tjebbe Beekman, Martin Eder, Aaron van Erp, Rezi van Lankveld, David Schnell en Matthias Weischer) worden gepresenteerd, maar vooral omdat er een tendens in de schilderkunst wordt vastgelegd die tot nu alleen incidenteel zichtbaar was. Die tendens laat zich simpel met twee woorden samenvatten: veel en vol. Alle doeken van deze zes schilders bevatten veel beelden. Veel kleuren. Veel combinaties. Veel informatie. Veel verwijzingen. Daarmee lijkt SNDM, voor wat betreft het Nederlandse deel, het voorlopige failliet van de kunsthistorische lijn Saenredam-Mondriaan-Fernhout-Dibbets af te kondigen – de lijn van rechte strepen en sobere kleuren, van schilderijen die zich als stukken polderland over de museumwanden uitstrekten. Deze generatie van vroege dertigers moet daar niks van hebben: ze zoeken nadrukkelijk aansluiting bij het buitenland en bij internationale ontwikkelingen in de beeldende kunst. Nationalisme bestaat niet meer. Leegte ook niet.

Dat de drie Nederlanders op SNDMniet de enigen zijn die er zo over denken is goed te zien in het Haags Gemeentemuseum, vijftig meter verderop, waar de winnaars exposeren van de Koninklijke Prijs voor Schilderkunst van dit jaar. Ook deze zalen hangen vol met doeken die zich niet afzetten tegen de hedendaagse beeldenvloed, die geen orde of structuur scheppen. Tegelijk blijkt op de Koninklijke Prijs ook hoe moeilijk dat is. Van de Prijsexposanten haalt alleen Anneke Wilbrink het niveau van SNDM – wat weliswaar zorgwekkend is, maar des te meer reden om de tentoonstellingen na elkaar te bekijken.

Dat alles zegt maar weinig

over de reden dat zoveel schilders van één generatie de steven de afgelopen jaren in die ‘veel en vol richting’ hebben gewend. Wat de verklaring ook mag zijn, duidelijk is dat de fotografie daarbij een belangrijke rol heeft gespeeld. Schilders zijn de afgelopen jaren sowieso steeds meer naar foto’s gaan werken, al kijken ze wel uit om al te letterlijk te citeren. En dus zijn de twee genres die de fotografie nu domineren (beelden uit de actualiteit en veel portretten) op beide tentoonstellingen zo goed als afwezig. Blijkbaar hebben schilders weinig behoefte om op die terreinen de concurrentie nog aan te gaan – vooral het portret met al zijn voyeuristische en real-life kanten lijkt door de fotografie geannexeerd. Schilders bevestigen hun bestaansrecht liever door af te wijken. Voor hen is het aantrekkelijk zich op te stellen als een soort fictieschrijvers: ze nemen de (fotografische) werkelijkheid als uitgangspunt, maar verdraaien, vergroten, en trekken die net zo lang uit elkaar totdat er op hun doeken beelden ontstaan die de fotografie voorbij gaan.

De enige op SNDM die zich hier enigszins aan onttrekt is de Nederlandse Rezi van Lankveld. Haar werk heeft weinig met fotografie van doen. Van Lankveld maakt doeken met een egaalkleurige achtergrond (grijs, zwart, blauw, paars); daaruit doemt, als in een wolk van witte of zwarte verf, een voorstelling op. Die voorstelling lijkt bijna bij toeval te zijn ontstaan, zoals je in een wolk ook zomaar een konijn of een landkaart kunt herkennen, maar nooit zeker weet of anderen dat ook zo zien. Met die twijfel speelt Van Lankveld ingenieus; als toeschouwer twijfel je in hoeverre ze de verf tijdens het werken heeft beheerst (de grilligheid is overtuigend) en tegelijk vraag je je af of je ziet wat zij erin zag, waardoor Van Lankvelds doeken moderne, prikkelende versies van rorschachtesten lijken.

Op het eerste gezicht heeft Van Lankveld weinig te maken met haar mede-exposanten, maar toch vormt haar werk een interessante sleutel naar de rest van de tentoonstelling. Niet voor niets zit er aan het werk van alle SNDM-deelnemers een surrealistische trekje: alle deelnemende schilders lijken te zoeken naar een manier waarop ze hun medium (verf, doek, eventueel zand) kunnen gebruiken om een eigen, persoonlijke wereld te creëren. Dat begint er al mee dat je bij deze schilders (vooral de Nederlanders) de verf nooit helemaal kunt vergeten – de substantie, de kwaststreek, de kleur blijft vaak zelfstandig zichtbaar. Maar tegelijk proberen ze dat effect te gebruiken in hun voordeel, en willen ze dingen laten zien die normaal, in de fotografische wereld verborgen blijven: het ongemak zit onder het oppervlak. Zo leidt de volheid die hun doeken op het eerste gezicht zo inhalig maakt, uiteindelijk tot onbehagen bij de toeschouwer. De doeken van Aaron van Erp bijvoorbeeld zitten vol met zachte (pastel)kleuren, de vegen roze zijn zwaar en breed, maar er duiken kleine, onaffe figuurtjes met grimmige bekjes in op, die in een schilderkunstig maanlandschap rondwaren – een desolaat gezicht.

Die vervreemding geldt ook

voor het werk van Martin Eder, alleen verwijzen zijn barokke semikitsch schilderijen (knuffelhondjes met appelgroene ogen, een iets te vaag geschilderd danseresje met een bloem in het haar), te veel naar het escapisme van de duistere romantiek om werkelijk te overtuigen. Dat geldt minder voor Matthias Weischer, de beste van de Duitsers. Zijn schilderijen tonen donkere interieurs met doorrookt bruin en nostalgische schilderijlijsten, die tegelijk vernuftig ‘modern’ zijn gecomponeerd, alsof het hedendaagse collages zijn. Hoe langer je naar de Weischers kijkt, hoe moeilijker het wordt je voor te stellen wat voor mensen er in zijn kamers wonen.

Wat het meest opvalt op deze tentoonstelling is dat er wel degelijk verschil is tussen de Nederlanders en de Duitsers. Vroeger werden de Nederlanders in Duitsland altijd geprezen om hun humor en relativeringsvermogen. Dat is nu omgeslagen: de doeken van de Nederlanders zijn intenser, zwaarder. Ze halen meer overhoop dan de Duitsers, Weischer mogelijk uitgezonderd. Het werk van de Nederlanders mag technisch vaak niet beter zijn, inhoudelijk is het complexer en dus spannender.

Dat geldt vooral voor het werk van de Nederlander Tjebbe Beekman. Beekman (1972) draait al een paar jaar mee, exposeerde op voorgaande afleveringen van de Koninklijke Prijs, maar nu lijkt hij zijn draai gevonden te hebben – misschien wel doordat hij naar Berlijn is verhuisd. Zijn doeken van supermarkten, flatgebouwen en fabriekshallen zijn net slordige mozaïeken met hun veelvoud van kleuren die gedomineerd worden door grijs en zwart. Over alle taferelen hangt een sombere, nachtelijke, bijna apocalyptische doem. Dat maakt het kijken naar Beekmans doeken niet tot een vrolijke aangelegenheid, maar wel een intense – op sommige momenten doet zijn werk aan dat van de jongere Anselm Kiefer denken, ook al omdat Beekman steeds meer zand op zijn doeken begint te smeren. Zulke verbanden tussen twee landen, twee schilderculturen, maken Schilderkunst Nederland – Deutschland Malerei tot een intrigerend project; ineens zie je dat de Duitsers er een stuk onbekommerder bij zitten dan verwacht en blijkt een Nederlander de beste Duitse schilderijen te maken. En dat is nog maar het begin. Want die verwarring, die wordt ongetwijfeld nog groter.

Schilderkunst Nederland – Deutschland Malerei, t/m 21 jan. in het GEM, Stadhouderslaan 43, Den Haag. Di t/m zo 12-18u. Inf. www.gem-online.nl Van Tjebbe Beekman is t/m 25 november een solo-expositie te zien bij Galerie Diana Stigter, Elandsstraat 90, Amsterdam. Wo t/m za 12-18u.