Waar heb ik dit eerder gelezen?

‘Tirza is een ideaal eind-examen tekstverklaring, maar geen overtuigende roman’. Discussieer mee op www.nrc.nl/leesclub.

Tot voor kort was ik waarschijnlijk de laatste lezende Nederlander die nog nooit een roman van Arnon Grunberg had opengeslagen. Krantenstukken en columns wel, maar die waren al even weinig bemoedigend als de reputatie van schelmsheid die rond zijn boeken hing. Tirza heeft daar een einde aan gemaakt. Voor het eerst leek er sprake te zijn van een volwassen roman, misschien zelfs van een moderne middenklasse-tragedie.

De eerste kennismaking met het boek valt niet tegen. Grunberg weet van schrijven en houdt de spanning erin. Zijn hoofdpersonen laten niet onberoerd, al krijgt alleen Tirza’s vader Jörgen wérkelijk gestalte. Onwillekeurig roept hij medelijden en vooral -leven op, in zijn maar al te begrijpelijke teleurstellingen over carrière, gezin en de wereld in het algemeen. Hij heeft er alle reden toe, met zijn onuitstaanbare ex- vrouw die plots weer op de stoep staat en van wie je je afvraagt waarom Jörgen haar niet – zoals zijn dochter zou willen – direct weer de deur wijst.

Niet dat Grunberg geen pogingen tot verklaring doet in zijn schets van een aan wederzijdse vernietiging verslaafd echtpaar. Maar overtuigen doet dat evenmin als het sadomasochisme van zijn echtelijke dialogen, die een halve eeuw na dato Albee’s Who’s Afraid of Virginia Woolf naar de kroon lijken te willen steken. Daarvoor zijn ze net iets te tweedehands en gaandeweg begint dat in deze vaardig opgebouwde roman een steeds groter probleem te worden.

Ernstig mag Tirza dan wel zijn en voor wie daar prijs op stelt ook heel herkenbaar, maar het boek is dat laatste ook op een heel verkeerde manier. Naarmate het lezen vordert, klinkt deze Vondelparkbuurt-blues steeds vertrouwder. Sores in de middenklasse: hoeveel romans zijn daar al niet aan vuilgemaakt? Dat maakt Tirza geen slecht boek, maar plotseling wel erg op maat gesneden.

Dat beperkt zich niet tot de thematiek. Halverwege het tweede deel – Tirza’s examenfeestje is in volle gang – vergrijpt Jörgen zich aan één van haar klasgenootjes. Bekend thema: niet alleen in de wereldliteratuur maar ook in dit boek. Helemaal in het begin heeft Grunberg al beschreven hoe Jörgens familie-ondergang begon: met de huurder van de bovenverdieping die zich ooit aan zijn oudste dochter Ibi vergrepen had. ‘Spiegelmotief’, denkt de lezer, zó weggelopen uit de cursus creative writing. En ja hoor: prompt laat Grunberg de (nieuwe) bovenbuurman hoorbaar stommelen, voor de lezer die het nog niet mocht hebben begrepen.

Plots begrijpen wij nu ook waarom Jörgen kort daarvoor zijn ex in ruzie heeft uitgemaakt voor ‘vieze vrouw’ – alsof we ineens terecht waren gekomen in een slecht vertaalde Mexicaanse roman. Nu is het Tirza die haar vader mag uitmaken voor ‘vieze man’, wat in het Nederlands inderdaad een stuk normaler klinkt. Ook dan is het met het tekstrijm nog niet gedaan. ‘Ik ben ook maar een man’ laat Grunberg zijn Jörgen snikken, en jawel: enkele tientallen bladzijde eerder had zijn ex-vrouw precies hetzelfde gezegd: ‘Ik ben ook maar een mens’ – en hij was daar razend om geworden.

Naar de moraal hoeft de lezer in Tirza dus niet lang te zoeken, zoals hij ook gedwongen wordt om over ieder personage bijna direct zijn oordeel te vellen. Medelijden, afkeer, een enkele keer bewondering: je ontkomt er in Tirza geen ogenblik aan. Zelfs voor wie in een roman graag iets moreels terugziet, wordt dat al snel te veel, zoals ook de opgelegde literaire structuur te zichtbaar en te dwingend wordt. Dat maakt Tirza waarschijnlijk tot een prachtkans voor een eindexamen tekstverklaring, maar geen overtuigende roman.

Ook voor het derde deel geldt zoiets, al heeft Grunberg daarin zijn aanvankelijke structuur (Tirza’s feestje, doorsneden met terugblikken die gaandeweg het drama ontvouwen) losgelaten. Jörgen is nu zijn dochter achternagereisd naar Afrika, waar ze samen met haar vriendje in rook lijkt te zijn opgegaan. Dan komt de ontknoping: de meelijwekkende Jörgen is zelf op een weerzinwekkende wijze aan haar verdwijning schuldig. Zorgvuldig laat Grunberg dat tot aan het laatste moment in de gedachten van Jörgen (bijna een ikfiguur) onvermeld.

Een meesterzet – maar wel een die al bedacht was door de jonge Agatha Christie. Met The Murder of Roger Ackroyd, gebaseerd op precies hetzelfde procédé, bracht zij indertijd de hele toenmalige wereld van detectiveschrijvers in beroering. Geniaal – maar inmiddels wel ruimschoots méér dan een halve eeuw geleden. In Grunbergs schema is het dan tijd voor een afsluitende herhaling van het thema: de oerscène van de misbruikte oudste dochter, nu weerspiegeld in de jongste. Dán pas gaat Jörgen door het lint – en warempel: daar denkt Jörgen: ‘Dit heb ik allemaal al eens meegemaakt.’

Voorlopig blijf ik maar de laatste Nederlandse lezer van één Grunberg-roman.