Tjallings dagboek

Wat vooraf ging: Tjalling en Katja zijn beland in een glanzende, ondergrondse wereld, waar alles nep is. Katja vindt alles even prachtig. Maar Tjalling denkt er anders over...

„Ga weg, Tjalling”, zei Katja. „Ik blijf hier”.

„En Sebastiaan dan?” vroeg ik. „Ben je die vergeten?”

Babs, Ken en die andere vrouw deinsden terug toen ik dit vroeg.

„Dat ventje hoort hier niet”, zei Babs toen gauw tegen Katja. „Maar jou willen we graag hier houden...”

Katja knikte. Ze was zo raar opeens! Zo suffig en sloom. Alsof ze niks meer kon bedenken.

„Sebastiaan redt zich wel”, zei ze zacht. En ze staarde weer gelukzalig naar dat paarse paard. Het wijf met die roze cap en die gele rijbroek stond nu naast me.

„Jij bent eigenlijk een heel lelijk jongetje”, zei ze. „Maar ik vind je wel interessant... Ben jij misschien een nieuw model?”

Ik werd er zenuwachtig van. Eerst Katja met ’r vreemde gedrag, en nu weer dat mens dat me aanstaarde met die grote koeienogen.

„Misschien worden wij wel een stel”, zei ze. „Net als Babs en Ken. Zou jij dat willen?”

Ik was verloren. Ik was echt verloren. Ze was namelijk wel heel erg mooi. En in ons dorp had er nog nooit een meisje aan mij gevraagd of... Nou ja.

Even dacht ik erover om gewoonweg ‘JA!’ te roepen. Even ging dat door me heen. Het leek alsof ik langzaam werd verdoofd. Net zo verdoofd als Katja al was... Ik moest ertegen vechten! Verdomme! Dit kon allemaal best een val zijn of zoiets!

Ik schudde mijn hoofd. Soms worden je hersens helder als je flink met je hoofd schudt.

„Mij best!” zei ik, om maar wat te zeggen. „Je mag mijn vriendin worden, als je dit raadseltje oplost: eerst loopt het op vier poten, dan op twee, en daarna op drie. Ra ra wat is het?”

Het was een oud raadsel van mijn opa. Het was het enige wat me te binnen schoot.

„Hè...”, zei de vrouw verwonderd. „Moet ik dat weten? Dat... Dat is toch helemaal niet romantisch?”

„Zo ging het niet met Babs en mij”, zei Ken. „Hè Babs, lieverd?”

„Nee!” zei Babs met een snerpende, schelle stem. „Zo hoort dat niet, nee! Eerst krijg je een uitzet, dan ga je trouwen in het wit en dan ga je wonen in een prachtig huis! Zó hoort dat te gaan!”

„Maar ik ben een nieuw model”, zei ik. „Alles is nu anders”.

„Laat ’m kletsen!” zei Katja. „Niet op ingaan!”

„Eerst vier poten, dan twee, dan drie...”, stamelde de vrouw. „Jeetje, wat ingewikkeld!”

Er was een denkrimpel verschenen op haar voorhoofd. Ook Ken fronste zijn wenkbrauwen.

„Ik wist niet dat er zúlke moeilijke dingen bestonden”, zei hij.

Al die figuren hadden nu zo’n denkrimpel. Voor het eerst leken ze wat minder glad en stralend. En voor het eerst begon ik iets te ruiken. Een vage schroeilucht...

„Luister niet naar hem!” riep Katja jammerend. „Het is gewoon een stom raadsel! Stuur ’m weg!”

Dat zei ze, die verraadster, en een steek schoot door me heen. Maar ik geloof dat die langbenige mensen nog erger leden dan ik.

„Eerst vier, dan twee”, jankte Ken. „Dat kán niet! De dingen kunnen toch niet veranderen!”

En hij begon te smelten. De schroeilucht werd steeds sterker, en er steeg rook op uit zijn hoofd. En ook uit de hoofden van de vrouwen, en zelfs een pluimpje uit die paarse knol. „Ophouden!” gilde Katja. „Onmiddellijk ophouden met denken! Dat hoeft hier niet!”

Maar het was te laat. Sidderend van de hitte zakte Ken in elkaar, hij veranderde in een bergje flubberend plastic...

(Wordt vervolgd)