Titaantjes met lomige lijven

Ze zijn maar klein, die drie Nescio-mannetjes. Twee turven hoog. Ze zitten op een bankje, dat weer op een sokkel staat, zodat het beeld als geheel nog wat hoogte krijgt. De linker hangt onderuit, de armen achter de leuning gehaakt. De middelste wijst naar iets, de andere twee kijken mee. Het trio straalt een klassieke houding uit: je afzijdig houden, je er niet mee bemoeien, maar wel commentaar leveren. Op de sokkel staat de beroemdste openingszin uit de Nederlandse literatuur: ‘Jongens waren we – maar aardige jongens.’

Voor het vijfde deel uit de reeks Water en Vuur schreef Hester Knibbe een gedicht bij het beeld. Dat bevat mooie zinnen, als: ‘Soms zaten we krap/ op een gammele bank te bomen, te zwijgen/ met lomige lijven waarin het oneindige// klotste.’

Water en Vuur is een project waarbij dichters gevraagd wordt een gedicht te schrijven bij een beeld. Deel V gaat over Amsterdamse beelden en is deels gevuld met nieuwe en deels met gedichten uit vorige afleveringen. Het idee is „via de de gedichten de aandacht op de beelden te vestigen en andersom”.

Of dat in het voordeel is van het beeld De Titaantjes van Hans Bayens in het Oosterpark is de vraag. Het brons van Bayens lijkt opgebracht als pasteuze klei, de goed getroffen lichaamshoudingen verraden vakmanschap. Meer pretentie heeft het beeld niet. Het is een ode aan Nescio, en parkdecor.

Bij het verderop in het riet geplaatste Ode aan de Tachtigers van Jan Wolkers is dat anders. De in elkaar grijpende stalen stangen in de vorm van gestileerde vlammen doen hun best op te gaan in het groen rondom en er toch bovenuit te steken. Daar zit leven in.

Naast de gedichten in de bundel staan foto’s van de beelden. Toch willen veel dichters graag beschrijven wat we zien. Dat doet Paul Gellings bij het beeld van Anne Frank op het Merwedeplein in het keurige Amsterdam-Zuid. In realistische stijl heeft Jet Schepp het meisje met school- en boodschappentas een peinzende, in zichzelf gekeerde uitdrukking gegeven. Alsof haar gedachtewereld nog van haar zelf is, en ze nog niet De Stem van een vermoord volk is. Daar wil je wel even voor stilstaan.

Gellings ziet het anders. Hij verwelkomt haar terug op het plein waar ze woonde en schrijft: ‘Je staat daar zo trots en verstandig/ en bijna vergevingsgezind’. Hij ziet ook: ‘en later glanst weer dat lachje/ om alles wat ze je hadden beloofd:// een huis om te dromen en een leven/ vol boeken, reizen en hartstocht’.

De aandacht wordt ook gevestigd op minder traditionele bijdragen aan het straatbeeld, zoals op de Eurolaan, bij de ingang naar de Pesetalaan. Die wegen horen bij stadsdeel Osdorp, maar het is een apart buurtje dat de laatste jaren is aangebouwd – bijna in Badhoevedorp. Het is zo’n nieuwe wijk met verdomd smaakvolle huizen, in gelaagde vormen en diverse bruintinten, met veel hout, baksteen en decoratief metselwerk. Een omgeving waar je meteen zin krijgt in oude kaas en dessertwijn.

En daartussen staat dan de ruim twintig meter hoge Kubuspoort van Marijke de Goey – helemaal op zijn plaats. De poort van in elkaar vallende kubussen – niet meer dan blauwe stangen die de contouren aangeven – geeft adem, hoogte en kleur aan de omgeving, die zo af en gesloten oogt. Dichteres Jana Beranová kan niet meer dan haar bewondering verwoorden: ‘Je hebt zo je eigen wetten, schitterend ding./ Je eigen wereld op al je ranke benen.’

Vorige week lanceerde het Amsterdams Fonds voor de Kunst een Matchingfonds voor beeldende kunst in de openbare ruimte, in samenwerking met een woningbouw corporatie. Zij vijftigduizend euro, het fonds vijftigduizend euro. Daar is weer tijdelijk geld voor. Niet omdat Amsterdam niet genoeg beelden heeft, aldus Fonds-directeur Andries Mulder, maar omdat kunst belangrijk is voor de leefomgeving. Gelijk heeft hij – maar vergeet de poëzie niet.

Ron Rijghard

Water en vuur V. Gedichten bij beelden in Amsterdam. Samenstelling Karla de Boer-Gilberg. Uitgeverij Phidias, € 23,-