‘Strafhof heeft genoeg bewijs voor Darfur’

De hoofdaanklager van het Internationale Strafhof is één stap verwijderd van aanklachten voor het conflict in Darfur. Hij zegt bewijs te hebben voor de zwaarste incidenten.

Aanklager Luis Moreno-Ocampo van het Internationale Strafhof heeft genoeg bewijs verzameld voor aanklachten wegens oorlogsmisdaden in de West-Soedanese regio Darfur. Dat maakte hij gisteren in Den Haag bekend bij de jaarlijkse vergadering van de inmiddels 104 staten die zijn aangesloten bij het hof. Of het tot vervolging zal komen is echter nog onzeker.

„Op basis van het bewijs hebben we de zwaarste incidenten en enkelen die daarvoor als meest verantwoordelijk kunnen worden beschouwd kunnen benoemen”, aldus Ocampo. Daaruit kunnen volgens hem aanklachten worden voorbereid voor misdaden tegen de menselijkheid en oorlogsmisdaden, waaronder vervolging, moord, verkrachting, mishandeling, marteling en plundering. Het woord genocide viel niet.

Sinds 2003 zijn zeker 200.000 burgers gedood en 2,5 miljoen ontheemd geraakt bij de strijd tussen zwarte rebellen en de door Khartoum gesteunde Arabische Janjaweed-milities. Het Strafhof onderzoekt de situatie in Darfur op verzoek van de VN-Veiligheidsraad, die Ocampo vorig jaar een lijst verstrekte met 51 namen van verdachte Soedanese leiders. Over de identiteit van mogelijke verdachten gaf Ocampo gisteren geen aanwijzingen.

Het bewijs is verzameld zonder dat onderzoekers van het Strafhof ook maar een stap in Darfur gezet hebben. Te onveilig, heeft Ocampo steeds gezegd. Niet alleen is de veiligheid van de onderzoekers in gevaar, het voornaamste probleem is dat het Strafhof getuigen onvoldoende bescherming kan bieden. Wel heeft het kantoor van de aanklager „honderden potentiële getuigen”, meest vluchtelingen uit Darfur, gehoord in zeventien landen. Verder bestaat het bewijs uit „duizenden documenten” verkregen van onder andere de Veiligheidsraad, de secretaris-generaal van de VN én de Soedanese machthebbers. De onderzoekers spraken met toestemming van Khartoum twee hoge Soedanese militairen.

Ocampo kan zijn informatie pas voorleggen aan de rechters van het Strafhof als duidelijk is dat hij een mandaat heeft voor deze specifieke incidenten en personen. En daarin zit hem de angel. Op 7 juni 2005, de dag nadat Ocampo aankondigde een onderzoek te beginnen, stelde het Soedanese Hooggerechtshof een Speciaal Strafhof voor de Gebeurtenissen in Darfur in. Volgens mensenrechtenorganisaties was dat bedoeld als ondermijning van de Veiligheidsraad en het Strafhof. Het hof in Den Haag mag zich alleen met een zaak bemoeien als een land daar zelf niet toe bereid of in staat is.

Van volwaardige en eerlijke processen in Darfur kan eigenlijk geen sprake zijn, concludeerde Human Rights Watch deze zomer. Het Soedanese strafrecht voorziet bijvoorbeeld niet in een definitie van misdaden tegen de menselijkheid. Ook sluit dat het gebruik van getuigenissen verkregen door marteling niet uit. Het Soedanese hof heeft tot op heden niemand veroordeeld voor de grootschalige moord op burgers in Darfur. Slechts een van de voorgekomen zaken betrof een dergelijke slachtpartij, die in het dorp Tama, maar daarin werden de drie verdachten alleen veroordeeld voor de plundering na de moorden.

Ocampo moet nu controleren of de personen die hij voor het Strafhof wil brengen niet al onderzocht worden door het Soedanese hof. Uitsluitsel daarover verwacht hij begin december.