Pechtold moet wederopbouw D66 realiseren

D66-leider Pechtold werd achtervolgd door peilingen waarin zijn partij zou verdwijnen. Maar D66 bleef met drie zetels toch bestaan. Hoe nu verder?

Hans van Mierlo zei woensdagavond dat Alexander Pechtold moest worden bekroond met de prijs voor moed en doorzettingsvermogen. Door hem was D66 niet verdwenen, maar had de partij drie zetels gekregen. De weg omhoog was gevonden. D66-leden, bijeengekomen in de Koningszaal van Artis in Amsterdam, juichten.

Donderdagochtend zat Pechtold voor het eerst als gekozen volksvertegenwoordiger op het Binnenhof. Hij was al bij de Kamervoorzitter geweest om hem advies te geven: een Kamerdebat over de verkiezingsuitslag. De grote partijen moesten nu snel zeggen aan wat voor coalitie ze dachten, daar had de kiezer recht op. Maar eerlijk gezegd, zei Pechtold, verwachtte hij niet dat zo’n debat er zou komen. Het CDA en de PvdA hadden er geen belang bij. En wat kon D66 inbrengen?

Pechtold bereidt zich voor op een nieuw leven, voor de vierde keer in vier jaar. In 2002 was hij nog een populaire wethouder in Leiden. Hij werd een populaire burgemeester in Wageningen. En vanaf eind maart 2005: minister van Bestuurlijke vernieuwing. D66-leden vonden hem geweldig, omdat hij brutaal was en dingen zei die tegen het kabinetsbeleid ingingen. Softdrugs legaliseren. Identificatieplicht afschaffen. En dan de ‘hysterische’ manier waarop het kabinet reageerde op terrorismedreiging.

CDA- en VVD-ministers kregen een hekel aan hem, helemaal nadat hij ook nog had gezegd hoe ‘vuil en vunzig’ het er in het kabinet aan toeging. Ze lachten hem uit toen eind juni 2006 het kabinet was gevallen en D66 niet meer mocht meedoen. Pechtold was net lijsttrekker geworden, maar verder was hij niets meer. Ambteloos burger. Hij moest, zeiden andere ministers, maar lekker campagne gaan voeren vanuit zijn achtertuin.

In de maanden daarna werd Pechtold achtervolgd door peilingen die steeds slechter werden. Mensen op straat zeiden tegen hem dat hij maar beter kon ophouden. „Jullie zijn toch dood?” Kinderen op scholen waar hij campagne kwam voeren waren verbaasd als ze hem zagen. „U bestaat toch niet meer?”

Maar hij zette door. Hij had zich voorgenomen om de kiezers van D66 weer één voor één terug te halen. In Leiden, bij de campagne voor de gemeenteraadsverkiezingen van 2002, had hij het ook zo gedaan. De straat op. Praten met mensen. Overtuigen. „Ben ik dood? Ik sta hier toch?” En: „Mag ik vragen waarom u níét op ons zou stemmen?”

Aan de grote debatten tussen lijsttrekkers op televisie en radio mocht hij niet meedoen. D66 was toch geen regeringspartij? D66 was toch eigenlijk al weg? Verder werd hij door ongeveer elk programma wel een keer uitgenodigd. Al was het vaak alleen om te worden afgekraakt. Maar elke keer lukte het hem om zijn boodschap te verkondigen. Euthanasie. Homohuwelijk. Integratie. Europa. Een week voor de verkiezingen kreeg hij het gevoel dat er een „kentering” was gekomen. Op straat lachten mensen naar hem en ze namen zijn folder aan. „Ik ga op u stemmen hoor!”

Donderdagochtend, op het Binnenhof, zit Alexander Pechtold te denken aan hoe het nu zal gaan. De aandacht van televisie en radio voor hem zal nu wel verdwijnen. Het zal stil worden rond hem. En hoe profileer je je dan, als leider van een partij met drie zetels?

Pechtold neemt zich voor om veel „het land in” te blijven gaan. Spreekbeurten houden. Bij mensen thuis op bezoek gaan. Zo deed hij het ook in Wageningen, toen hij nog burgemeester was. Hij weet dat hij daar goed in is.

En verder?

D66, zegt Pechtold, zal „de lamp gaan zetten” op al die dingen waar de grote partijen het nu liever niet over hebben. Om te beginnen op „de schande” van een parlement met negen zetels voor Wilders.