Opgejaagd door de soja

Indianen van de Yawalapiti-stam in Alto Xingu (Brazilië) Foto Reuters/Gregg Newton A member of the Yawalapiti tribe kicks a ball soccer-style to his son after performing a dance ritual at their village in Alto Xingu in the lower Amazon, on May 13, 2002. Most tribe members are huge soccer fans, and anxiously await Brazil's participation in the World Cup, just two weeks away. Once on the border of extinction, the Yawalapiti have built their tribe up to 180 members from just seven some 50 years ago through inter-marriage with other Xinguano tribes in the same cultural area. The tribe lives almost exclusively from fishing and are famous for their "Quarup" festival; a 'ritual of the dead', which takes place in the year following the death of a tribe member of chieftan family lineage. FIRST OF SIX PICTURES REUTERS/Gregg Newton GN/HB REUTERS

Ineke Holtwijk: Rooksignalen. Op zoek naar de laatste verborgen indianen in Brazilië. Atlas, 368 blz. € 24,95

Het is een duivels dilemma. Wat moet een opstomende industriemacht als Brazilië doen met de indianen in zijn immense regenwoud? Moet de overheid hen zo lang mogelijk met rust laten, totdat de oprukkende sojaboeren en veehouders met grof geweld hun leefgebied binnentrekken? Of moet de staat deze indianen actief opsporen en hen geleidelijk voorbereiden op een confrontatie met de moderne wereld?

Brazilië kiest ervoor deze ‘geïsoleerde indianen’ met rust te laten, behalve als ze in aanraking komen met binnendringers. Dan volgt een interventie, die het gevolg is van ’s lands grondwet. Indianen genieten in Brazilië een onvervreemdbaar eigendomsrecht op de grond die ze bewonen. Een – zeker voor Latijns-Amerikaanse begrippen – zeer solide rechtspositie. Op papier, althans. Want om de rechter beslag te laten leggen op een stuk bos moet de staat aantonen dat er indianen leven. Dit leidt tot de paradoxale situatie dat teneinde indianen te beschermen tegen de boze buitenwereld, contact met hen onvermijdelijk wordt. Bovendien voedt het wetsartikel de angst van grootgrondbezitters om onteigend te worden. Zij verzetten zich tegen aanwezigheid van indianen op ‘hun’ grond. Ze gebruiken daarbij zowel geweld als alle ‘legale’ middelen die de corrupte Braziliaanse politiek en bureaucratie hun bieden.

Toen Ineke Holtwijk in 1995 in de krant een berichtje las over een nieuw ontdekte indianenstam, pakte de toenmalige Latijns-Amerika-correspondent van de Volkskrant en NOS-Journaal snel het vliegtuig. In de westelijke deelstaat Rondônia maakte ze er via het staatsbureau voor indianenzaken (Funai) kennis met de Kanoê- en de Akuntsu-indianen. Tien jaar lang keerde ze regelmatig terug. Het nu verschenen boek Rooksignalen vertelt het trieste relaas van hun ‘acculturatie’.

Rooksignalen is een zeer lezenswaardig boek geworden – al verliest de auteur zich soms in te uitgebreide beschrijvingen van haar ontberingen in de jungle. Holtwijk heeft haar reportages van een uitgebreide historische achtergrond voorzien. Het loont de moeite om regelmatig te bladeren naar het uitvoerige notenapparaat achterin, dat bol staat van achtergrondinformatie.

Terecht noemt Holtwijk zich een reiziger in de tijd; en haar boek ‘een ooggetuigenverslag van de confrontatie van levende prehistorici met de moderne tijd’. ‘Ik kijk naar leven dat in dit vlekje oerwoud millennia lang bevroren is. Hier sta ik en verwonder me, ook over ons. We zijn opgewonden als we potscherven of bijlpunten van duizenden jaren geleden opgraven. [...] Waarom zijn we niet zo zuinig op de Akuntsu en de Kanoê, de laatste overlevenden van oeroude volken?’

De lezer krijgt uitgelegd hoe al het eerdere contact de afgelopen eeuwen een spoor van verwoesting achterliet onder de autochtone bevolking van de Amazone. Een stoet vreemdelingen drong het woud binnen. Missionarissen, goudzoekers, ontsnapte negerslaven, houthakkers, rubbertappers, telegrafisten, wegenbouwers, antropologen: ze hadden allen zeer uiteenlopende bedoelingen, maar voor de indianen liep het altijd slecht af. Volgens de Funai zijn er hoogstens nog 3.000 ‘geïsoleerde indianen’, van wie minder dan een derde totaal onbekend is. Schattingen over het aantal indianen dat voor de ‘ontdekking’ van Amerika in het woud leefde, lopen sterk uiteen, maar het waren er zeker miljoenen.

De veldwerkers van de Funai hebben de taak het reservaat zowel juridisch als fysiek te verdedigen. Tegelijkertijd brengen ze de indianen voorzichtig, maar onherroepelijk in contact met de ‘verworvenheden’ van de moderne tijd. Dat gaat vaak mis. De intrede van alcohol, tabak en westerse ziektes ondermijnt de gezondheid en de samenlevingen van de indianen. Een – helaas – overbekend verhaal.

Interessanter zijn dan ook Holtwijks beschrijvingen van de culturele impact van het contact. De indianen begrijpen bijvoorbeeld weinig van het begrip eigendom – en helemaal niets van de relatie die in het Westen bestaat tussen bezit en arbeid. Op bezoek in het Funai- kampement pakken ze alles van je wat ze pakken kunnen, zonder iets terug te doen of geven. Het idee van de veldwerkers om ruilhandel met de indianen op te zetten, faalt jammerlijk. Ze hoopten de indianen geld te kunnen laten verdienen met patenten op de geneeskrachtige planten die ze hadden aangewezen. De indianen geven echter al snel de voorkeur aan moderne pleisters, zalfjes en injectiespuiten.

Van de twee groepen indianen die Holtwijk volgt, raakt één groep veel minder verwesterd dan de andere. De eerste blijft vrolijk en kinderlijk blij. De verwesterste indianen vallen stil en worden suïcidaal. Triest stemmend is de schatting van de Funai-voorman dat er over hooguit twee decennia alleen nog verwesterste indianen zijn.