Laatste rustplaats

Bomen doen weinig om je aandacht te trekken. Hun aanwezigheid lijkt vanzelfsprekend. Deel acht van een serie.

Toen ik over bomen op begraafplaatsen begon, zei Frank van den Brink dat we dan naar de Gansstraat moesten. Daar gingen we heen en dit bleek de begraafplaats te zijn waar je langskomt met de trein uit of naar Arnhem. Vredig verweerde stenen onder de hoge bescherming van opgaand geboomte – vaak had ik er in het voorbijgaan een verlangende blik op geworpen.

Meteen bij de ingang: een witte esdoorn van een werkelijk majestueus formaat. „Die staat al op een foto uit 1905”, zei Van den Brink (48, werkzaam bij Stadswerken). „Ik zou niet weten”, zei hij, „waar in Utrecht nóg zo’n grote staat.”

De witte esdoorn is een exoot uit Noord-Amerika. Voorheen werd hij in onze steden volop aangeplant, maar hij is erg breukgevoelig en geeft veel wortelopdruk. Nu zie je hem eigenlijk alleen nog maar waar geen auto’s komen. Dus daar heb je het al – de begraafplaats als toevluchtsoord.

Bomen zijn in hun prille jeugd betrekkelijk flexibel. Maar als ze zich eenmaal op bepaalde omstandigheden hebben ingesteld, gedijen ze het best als er weinig verandert. En waar vindt een boom tegenwoordig nog zekerheid?

Het was een miezerige dag met hier en daar een stilletjes neerdalend herfstblad, ideaal uitvaartweer. We dwaalden wat over oude paden.

Treurbeuk, treurwilg, treuriep – bomen die meebuigen met menselijk verdriet. Of de altijdgroene taxus – een boom die verwijst naar het eeuwige leven. Dat is de geijkte begraafplaatsbeplanting en die ontbrak hier niet, maar ze werd toch volledig overheerst door geboomte van een weelderigheid die je eerder met park of bos associeert.

Toen het begraven binnen de stadsmuren verboden werd, wist de stad Utrecht het landgoed Soestbergen te verwerven. Naar ontwerp van J.D. Zocher jr. zou daar de eerste algemene begraafplaats worden ingericht. Op 17 mei 1830 werd de eerste dode er ter aarde besteld. Er staan nog bomen die dat hebben meegemaakt, Zocherbomen.

Zo kwamen we bij een knaap van een paardekastanje met een aantal graven rond zijn voet, één steen een beetje door het wortelstelsel opgelicht, een ander compleet in de aarde weggedrukt. Onleesbare opschriften. Maar er stonden nummers bij en zo konden we achteraf vaststellen dat deze graven in 1895 waren vervallen aan de gemeente. Ga je ervan uit dat ze daarvoor geruime tijd in het bezit van familie zijn geweest, dan zit je al in 1860. Ga je ervan uit dat die kastanje toen al de aantrekkelijkheid van deze plek bepaalde, dan moet hij van ver daarvóór stammen. Je mag aannemen dat Zocher bepaalde bomen van het voormalige landgoed in zijn ontwerp had opgenomen.

„Maar nu maakt hij het niet lang meer”, zei Van den Brink. Onder de paardekastanjes in Nederland woekeren twee ziektes: de mineerziekte, veroorzaakt door een motje, en de bloedingsziekte, veroorzaakt door een bacterie. En deze had ze allebei.

„Daar bovenin”, zei Van den Brink. „helemaal verzwamd.”

Deze bomen hebben uiteraard geen keus: ze leven op het kerkhof, ze sterven op het kerkhof. Zo kwamen we ook bij de stommels van twee beuken die, voordat ze werden omgezaagd, gigantisch moesten zijn geweest. „Reuzenzwam en platte tonderzwam”, zei Van den Brink. „een dodelijke combinatie.”

„Komen hier weer beuken voor in de plaats?”, vroeg ik.

„Beuk op beuk gaat meestal niet goed”, zei hij.

„Wat dan?”, vroeg ik.

„Europese linde, dat zou kunnen”, zei hij.

Ten slotte kwamen we bij een beukenrij uit 1868, de zuidelijke begrenzing van de begraafplaats. Deze rij zal sneuvelen als de gemeente haar plannen voor een busbaan tussen Centraal Station en Uithof ten uitvoer brengt.

„Dan moet je oppassen voor een oproleffect”, zei Van den Brink. „Die beukenrij heeft daar honderdveertig jaar lang gefungeerd als een geweldig zonnescherm. Als dat verdwijnt, komen andere bomen opeens vol in het licht te staan. Die kunnen verbranden.”

„Zonde”, zei ik.

„Maar”, zei hij, „er komt wel weer een nieuwe bomenrij, misschien een mooie lindenrij.”

„En dan een jaar of tachtig wachten”, zei ik.

„Ja”, zei hij, „dan heb je toch weer iets voor het nageslacht.”