In Warschau blijft mijn gitaar in de hoes

Etalage van een muziekwinkel foto Stephane Alonso Alonso, Stephane

‘Je woont in de verkeerde stad”, zegt Sebastian, een Poolse vriend. Mijn vraag was waarom het me toch maar niet lukt een leuke band te vinden om op koude winteravonden muziek mee te maken. „In Kraków en Wroclaw wemelt het van de bands, want dat zijn onmiskenbaar studentensteden. Warschau is een chaotische stad, zonder centrum, zonder kernactiviteit. De energie vliegt alle kanten op. Het is een doelloze stad.”

Hij zou wel eens gelijk kunnen hebben. Mijn zoektocht naar een band in Warschau is tot nu toe een grote teleurstelling. Alsof ik een speld zoek in een hooiberg. De hals van mijn elektrische gitaar staat intussen krom, de snaren zitten onder een laagje vuil, mijn plectrums ben ik, voor de zoveelste keer, kwijtgeraakt. Is dit de blues?

Mijn zoektocht begon in een muziekzaak, vlakbij mijn huis. Aan de dienstdoende verkoper vroeg ik of hij de adressen van oefenruimtes kende in Warschau. Hij keek glazig terug.

Als Nederlander ben ik gewend aan een geïnstitutionaliseerde bandjescultuur, met volledig uitgeruste oefenruimtes en een aula waar je even kunt bijkomen van je eigen herrie. In Polen, zo begreep ik uit zijn woorden, is de infrastructuur nog prehistorisch: garages, kelders en zeker geen aula. Plassen doe je buiten, tegen een boom.

Na diep peinzen weet de verkoper dan toch één plek te noemen in Warschau waar de bandjescultuur wortel lijkt te hebben geschoten. Ik koop een plectrum (een grote gele) en verlaat de winkel.

De oefenruimte staat langs een snelweg, zoals het hoort. Het is een betondoos zonder ramen, zoals het hoort. Vol verwachting klopt mijn hart. Ik doe de deur open, binnen speelt een band, knetterhard. Hoor ik de snelweg of gitaarversterkers? Mijn ogen wennen aan het donker. Twee jongens. Een drummer en een gitarist. Ik zoek naar de rest van de band maar die is er gewoon niet. Sorry jongens, verkeerde deur.

Op een podium staan, herrie maken, het publiek opzwepen. Massapsychose in het klein. Er is eigenlijk niets leukers. Maar de tientallen bandjes die ik zie spelen, in rokerige cafeetjes, stellen teleur. Het knalt niet, het zweet niet, het swingt niet. Waar is het heilige vuur?

Ik ga naar een bluesavond, waar, zo staat op de flyer, ook een jamsessie zal worden gehouden. Bij aankomst meteen een probleem: zoals altijd wemelt het van de gitaristen en is er een schreeuwend tekort aan al het andere. Je moet in de rij staan om ‘je ding te mogen doen’. Bovendien houdt de drummer, de hoeksteen van elke band, de boel niet bij elkaar. Dat speelt niet lekker. Mijn gitaar blijft in de hoes.

Sebastian legt uit. In Warschau, zegt hij, heb je alleen heel slechte bands of heel goede bands, die dan ook meteen heel commercieel zijn. Een middenklasse, die goede muziek maakt voor de lol, is er niet. „Cultuur wordt ook niet aangemoedigd. Ik begrijp dat Franse muzikanten subsidie krijgen als ze kunnen aantonen dat ze elke maand minstens tien optredens hebben. Zoiets zie ik in Polen niet snel gebeuren.”

Eindelijk heb ik dan toch geluk. Jacek Gitaar belt. Zo staat hij in mijn boekje. Zijn achternaam ken ik niet. Ik ken hem van een feestje, waar we allebei gitaar speelden. Het klikte, persoonlijk en muzikaal, we zouden snel bellen, maar het kwam er nooit van. Nu belt hij dan toch. Hij kent mijn voornaam niet. Muziekvrienden.

Jacek nodigt me uit voor zijn muziekproject. Hij wil in eigen beheer een album maken. Het vinden van een opnamestudio is geen probleem, want Jacek is geluidstechnicus voor een bedrijf dat reclamespotjes opneemt. Op een muziekstandaard in zijn studio staat nog een tekst voor een deodorant. Nog beter, nog frisser, nog langer, nog goedkoper.

Het moet vooral géén commerciële plaat worden, want die kunst verstaat hij als geen ander. Alles op deze plaat moet „uit het hart” klinken. Jacek heeft een tiental liedjes geschreven, een mengelmoes van Nick Cave, The Doors en Tom Waits. Veel instrumenten staan al op de geluidsband en ik moet een gitaarpartij inspelen.

Daar sta ik dan, in een klein opnamehok, met een gitaar om mijn nek, plectrum in de aanslag. Buiten sneeuwt het. „Alles wat je speelt, moet zwaar depressief klinken, oké?”, hoor ik Jacek in mijn koptelefoon zeggen. „Geen jolige hillbilly.” Ik sputter tegen. Dat ik helemaal niet depressief ben. Zeker vandaag niet. Want ik maak weer muziek. Maar Jacek heeft de geluidsband alweer aangezet. Aftellen. Invallen. Gooi de beerput maar open.