In de ban van de vos

Honderd jaar geleden werd de politiek filosofe Hannah Arendt geboren. Haar liefdesaffaire en levenslange vriendschap met Martin Heidegger zijn opgetekend in een meeslepend boek.

Antonia Grunenberg: Hannah Arendt und Martin Heidegger. Geschichte einer Liebe. Piper, 469 blz. € 22,90

Het is slechts een kwestie van tijd voordat er een grote, dure speelfilm zal worden gemaakt over de liefdesgeschiedenis tussen de filosofen Hannah Arendt en Martin Heidegger. De symboliek is onweerstaanbaar. Jonge, hyperintelligente joodse studente wordt in de winter van 1924 verliefd op haar docent aan de universiteit van Marburg. Hij heeft dan, als jonge dertiger, al een grote reputatie opgebouwd als een baanbrekend denker, die – na de catastrofe van de Eerste Wereldoorlog – een radicaal nieuw begin heeft gemaakt in de filosofie. Geheime afspraken en gepassioneerde brieven volgen. Maar Heidegger is en blijft getrouwd en heeft twee jonge kinderen. Na twee jaar vertrekt Arendt, omdat ze niet langer een bijrol wil spelen.

Flash forward naar de machtsovername van Hitler in januari 1933, waarbij de twee ex-geliefden aan verschillende kanten van de streep komen te staan. Arendt vlucht naar Parijs en in 1941 naar New York, waar ze actief is in de zionistische beweging. Haar lijfspreuk: ‘Wie als jood wordt aangevallen, moet zich als jood verdedigen.’ Heidegger kiest voor de andere kant en stelt zich in dienst van het nieuwe regime. Hij hoopt zelfs uit te groeien tot geestelijk leider van het nationaal-socialisme. Toch betekent dit geen onherstelbare breuk tussen de twee ex-geliefden. Na de oorlog gaat ze hem weer opzoeken. In de laatste jaren, voordat Arendt en Heidegger kort na elkaar overlijden in het midden van de jaren zeventig, is de verhouding zelfs weer innig.

De locaties voor zo’n biopic zijn romantisch genoeg. Heidegger die in zijn ‘denkhut’ in Todtnauberg bij Freiburg (met graag een flink pak sneeuw) zo wordt meegesleept door zijn denken, dat hij het zicht verliest op de werkelijkheid buiten zijn hoofd. Arendt die begin jaren dertig in Berlijn de bruinhemden ziet marcheren en politiek ontwaakt. Het verwoeste Duitse landschap na de oorlog. Dan het weerzien in 1950; de confrontatie met Heideggers echtgenote Elfride, die inmiddels van de affaire op de hoogte is gebracht door haar echtgenoot, en tekeer gaat alsof het gisteren is gebeurd.

De hoofdrolspelers hebben zelf ook de benodigde filmische kwaliteiten. Arendt, die afwisselend schuw en arrogant kon zijn, met haar intense oogopslag en met een eeuwige brandende sigaret in haar hand. Heidegger, klein van stuk (1.63), sprekend met een zachte, hese stem en die de blik van zijn gesprekspartner het liefst meed. Meestal ging hij gekleed in landelijke, altdeutsche klederdracht – om zijn innerlijke distantie tot de reguliere professorenstand te onderstrepen. Een van zijn verbitterde joodse studenten (Hans Jonas) schreef na de oorlog, dat hij pas achteraf begreep dat die merkwaardige uitdossing Heideggers middenweg was ‘tussen het burgerpak en het uniform van de SA’.

Grote gevoelens

Al die beelden borrelen op bij het lezen van Hannah Arendt und Martin Heidegger. Geschichte einer Liebe van de politicologe Antonia Grunenberg. Ze schreef een meeslepend en toegankelijk boek over de verhouding tussen de twee denkers, waarbij ze geen filosofische voorkennis veronderstelt. Behalve de persoonlijke verhouding behandelt Grunenberg ook de ontwikkeling van het denken van Arendt en Heidegger. Dat levert soms interessante parallellen op met het leven, maar soms ook niet; de filosofie laat zich niet reduceren tot verkapte autobiografie. Ook onderstreept Grunenberg de grote gevoelens tussen de twee hoofdpersonen van haar boek net iets te nadrukkelijk.

Welbeschouwd was hun verhouding tamelijk banaal. Jonge, getrouwde docent legt het aan met mooie, veelbelovende studente; dat komt wel meer voor, al was het maar in het leven van Heidegger zelf, die in de loop van de tijd verschillende verhoudingen had met studentes. Heidegger kon in zijn brieven, zowel aan Hannah als aan zijn echtgenote, heen en weer schakelen tussen de meest weeë liefdesbetuigingen en verpletterende openhartigheid. Zo liet hij, in de periode dat hij werkte aan zijn hoofdwerk Sein und Zeit (1927), Hannah weten: ‘Ik ben je vergeten – niet uit onverschilligheid, niet omdat de uiterlijke omstandigheden zich tussen ons dringen, maar omdat ik je vergeten moet en vergeten zal, zo lang ik me op de weg van de geconcentreerde arbeid begeef.’ Alsof dat niet pijnlijk genoeg was voor Arendt, voegt Heidegger er nog aan toe: ‘En dit wegkomen van al het menselijke en afbreken van alle betrekkingen is, in het licht van het scheppen, het meest grandioze, wat ik uit de menselijke ervaring ken.’

Hier openbaart zich de kloof tussen Arendt en Heidegger, niet alleen persoonlijk, maar ook in hun denken. Heidegger leest tijdens de eerste, gepassioneerde fase van de verhouding geschriften van Augustinus over de liefde, om zichzelf te kalmeren. Hij filosofeert in zijn brieven aan haar over het ‘Zwischen’ – de ruimte tussen de geliefden, die groter, mooier, heviger is dan de twee personen zelf. Toch was dit niet bepalend voor zijn denken. In Sein und Zeit verklaarde hij juist dat het ‘Mitsein’, het samenzijn met anderen, altijd op het niveau plaatsheeft van het niet-authentieke, van verlorenheid in het alledaagse. Het eigenlijke Dasein voltrekt zich alleen in het denken – precies zoals hij in zijn openhartige brief aan Arendt toegaf.

Arendt promoveerde bij Karl Jaspers op het liefdesbegrip van Augustinus. Het Zwischen waar Heidegger over sprak, zou zij na de dramatische gebeurtenissen van 1933 en de Tweede Wereldoorlog, uitwerken tot een politieke theorie.

Alleen in de democratische openbaarheid, met ruimte voor een veelvoud van meningen en visies, kan de waarheid zich openbaren. Voor Arendt was het trauma van 1933 niet in de eerste plaats dat antisemitische populisten de macht grepen – dat had ze al jaren zien aankomen – maar dat de grote meerderheid van de Duitse intelligentsia zich zonder veel morren in de nieuwe machtsverhoudingen schikte, Heidegger voorop. In het boek dat haar beroemd maakte, The Origins of Totalitarianism (1951), kraakt ze harde noten over het falen van deze generatie denkers. Heidegger heeft daar nooit in het openbaar op gereageerd.

Schijnobjectiviteit

Vijf jaar lang stopt de briefwisseling tussen Arendt en Heidegger. Dat neemt niet weg dat Arendt weliswaar in brieven aan anderen van alles op Heidegger had aan te merken, maar ook verklaarde dat ze ‘alles aan Heidegger te danken had'. Haar manier van filosoferen had ze van hem geleerd – niet over een gebeurtenis denken, maar vanuit de gebeurtenis, wars van iedere wetenschappelijke systematiek en schijnobjectiviteit. Zo kon de kern van de nieuwe totalitaire regimes van de 20ste eeuw, alleen vanuit de ervaringen met dat regime worden gedacht. Ze nam ook Heideggers fundamentele uitgangspunt over, dat er een onherstelbare breuk had plaatsgevonden tussen de traditie en de moderne tijd. Simpelweg teruggrijpen op de traditie – in de jaren vijftig lagen Duitse boekhandels vol met boeken van Goethe – was zinloos en had geen betekenis. Het werk van Heidegger zou er vermoedelijk precies hetzelfde uit hebben gezien, als hij Arendt nooit had ontmoet. Het werk van Arendt is zonder dat van Heidegger niet goed voorstelbaar – het was voor haar zowel een tegenpool als een inspiratiebron.

Toen de twee elkaar in 1950 terugzagen, schreef Arendt in een brief dat Heidegger aan zijn vrouw had opgebiecht dat Hannah ‘nu eenmaal de passie van zijn leven was.’ Maar het is goed denkbaar dat Heidegger vooral zei wat Hannah graag wilde horen. Dat Heidegger, tot ergernis van Arendt, zo nadrukkelijk ook zijn vrouw wilde betrekken bij het hernieuwde contact, wijst erop dat de erotische aantrekkingskracht voor hem was verdwenen.

Heidegger was als een vos, die zo slecht in staat is om valstrikken te ontlopen, dat hij uiteindelijk maar besluit om zijn eigen val te bouwen. Zo karakteriseerde Arendt hem in de parabel ‘Heidegger, de vos’, die ze in 1953 optekende in haar ‘denkdagboek’. Dat was het geheim van zijn filosofische aantrekkingskracht: ‘Niemand begrijpt de aard van de val beter dan degene die er zijn hele leven lang in zit.’

Waaruit bestond die val precies? Inderdaad bood de existentiële filosofie van Heidegger in de jaren twintig weinig uitzicht op verlossing, met zijn nadruk op de ‘geworpenheid’ van de mens in de wereld en de noodzaak te leven in het bewustzijn van de dood (‘Sein-zum-Tode’). Vanuit de vertwijfeling en het diepe crisisbesef maakte Heidegger in 1933 de sprong naar het politieke avontuur, dat uitliep op een echec. Zo stapte hij van de ene val in de andere. De late Heidegger liet de politieke heroïek varen, en ontwikkelde een denken van de lijdzaamheid en gelatenheid. Zijn laatste val? Toch bleef die val Arendt lokken, terwijl ze zich tegelijkertijd tegen Heidegger afzette. Ze maakte zich in de late jaren sterk voor vertalingen van zijn werk in Amerika, las elk nieuw boek van hem dat uitkwam en was verontwaardigd over goedkope aanvallen op de ‘nazi-denker’. Arendt bezocht Heidegger in de laatste periode soms twee keer per jaar. Samen werkten ze dan ook aan filosofische problemen – zoals het ooit was begonnen. Misschien was het toch niet alleen Heidegger die klem zat in zijn val, maar vooral ook Hannah Arendt zelf.