En wéér winnen de protestpartijen

De gevestigde partijen hebben verloren omdat ze bang zijn heldere politieke keuzes uit te dragen.

De protestpartijen hebben daar weer van geprofiteerd.

Déjà vu. Het CDA is net als in mei 2002 de grootste partij; rake klappen voor PvdA en VVD; en forse winst voor de ‘protestpartijen’, destijds de LPF, ditmaal verdeeld over de SP en de partij van Wilders. Maar de verliezen van PvdA en VVD werden in 2002 aan hun kleffe onderlinge verhouding in het tweede Paarse kabinet toegeschreven. Hoe kan het dat die partijen opnieuw verliezen, nu zij onverzoenlijk tegenover elkaar stonden?

De verklaring moet zitten in hun onvermogen duidelijk te maken waarin zij zich van de concurrentie onderscheiden. Het CDA was ook kleurloos – Balkenende debiteerde tijdens de campagne gemeenplaatsen – maar die partij wist met de premierbonus het verlies te beperken. Toch laat de verdubbeling van de ChristenUnie zien dat ook het CDA kwetsbaar staat tegenover een partij die zich scherper profileert.

De grootste verliezer van gisteren, de PvdA die 10 zetels kwijtraakte, is al vijftien jaar in verwarring over haar koers. Na de dreun die in 2002 door de kiezers was uitgedeeld, leek de partij op de goede weg door een beginselprogram aan te nemen dat de gelijkheidsmantra relativeerde met waarderende woorden voor vrijheid en marktwerking. Maar in zijn oppositie tegen het kabinet vergat Bos een belangrijke les van zijn geestverwant Tony Blair: lever kritiek maar neem goede ideeën van je opponent over.

Zwabberende bewegingen tijdens de campagne (de ouderenbelasting voor de AOW, wisselende uitspraken over zijn coalitievoorkeur) onderstreepten nog eens dat Bos níet weet wat hij wil. Als er werkelijk zo weinig deugde van wat de kabinetten-Balkenende deden, zoals Bos steeds beweerde, was het logisch dat linkse kiezers hun heil zochten bij de SP, die van ongenuanceerde kritiek op rechts haar handelsmerk heeft gemaakt.

De VVD had een verkiezingsprogramma dat voor kiezers moeizaam als liberaal te herkennen was. Prominent stond de ‘gratis’ kinderopvang, een punt dat bij een socialistische partij op zijn plaats zou zijn.

Met betrekking tot integratie wees de VVD wel op het beleid van Rita Verdonk, maar het voegde er voor de toekomst weinig aan toe. Het geven van absolute voorrang aan art. 1 van de Grondwet oogde sympathiek, maar komt neer op de boodschap dat de VVD de vrijheid van meningsuiting niet het hoogst in haar vaandel zal hijsen. Een onwenselijk signaal aan nieuwkomers over onze rechtsstaat, en een liberale partij onwaardig.

Verkiezingsprogramma’s worden amper gelezen. Maar met hulpmiddelen als de Stemwijzer speelt hun inhoud indirect een grotere rol dan voorheen. Van alle door de Stemwijzer verstrekte adviezen ging slechts 3,5 procent naar de VVD. Veel meer mensen kregen het advies om op een concurrent te stemmen. Als vrijwel niemand langs die weg het advies krijgt VVD te stemmen, moet dat toch te denken geven. In elk geval is het VVD-programma dan te bleek.

Terwijl de VVD in de peilingen wegzakte, klaagde Rutte dat hij als ‘derde partij’ moeilijk tussenbeide kwam in het tweegevecht van CDA en PvdA. Daar hadden Wiegel en Frits Bolkestein geen moeite mee toen zij lijsttrekker waren van die derde partij. Zij sneden gevoelige onderwerpen aan en stuurden zo het debat.

De conclusie van een verkiezingscampagne waarin de inhoud afwezig leek, is dat die inhoud er wel degelijk toe doet. Een partij die kiezers wil trekken, moet inzetten op haar identiteit, en die niet wegmoffelen uit angst om kiezers af te schrikken.

Dr. Patrick van Schie is directeur van de Teldersstichting, wetenschappelijk bureau van de VVD.